Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-3188 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht verrichten van binnendiens wegens uiterlijke verschijning (hanenkam). Procesbelang. De wijziging in het rooster van de ploegkan op één lijn worden gesteld met een gedeeltelijke ontheffing van de taken die appellant regulier verrichtte, te weten het doen van buitendienst. Beperking artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Raad onderschrijft (...) niet het standpunt van de korpsbeheerder dat de uiterlijke verschijning van appellant zoals blijkend uit tot de gedingstukken behorende foto’s, zodanig in strijd met de eisen van representativiteit en professionaliteit zou zijn dat een beperking als hier bedoeld gerechtvaardigd is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/56 met annotatie van P.J. Schaap
JIN 2010/111
JIN 2010/156
AR-Updates.nl 2010-0106
XpertHR.nl 2011-365737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3188 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2008, 07/733 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellant is vertegenwoordigd door mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als [naam functie] in de rang van [naam rang]. Op 18 juli 2006 is aan appellant, die was ingeroosterd voor de buitendienst, opdracht gegeven om op 18 en 19 juli 2006 binnendienst te verrichten in verband met zijn uiterlijke verschijning, te weten het dragen van een kapsel in vorm van een zogeheten hanenkam. De opdracht is bij e-mailbericht aan appellant bevestigd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 januari 2007 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant sedert 1 mei 2007 niet langer bij de korpsbeheerder in dienst is, zodat een (principiële) uitspraak over de toelaatbaarheid van de in geding zijnde haardracht zelfs niet meer van belang is voor de toekomst. Voor zover appellant heeft aangegeven dat zijn belang mede is gelegen in het feit dat hij immateriële schade zou hebben geleden door de besluitvorming, heeft de rechtbank overwogen dat appellant die schade in geen enkel opzicht heeft onderbouwd. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het bestaan van die schade.

3. In hoger beroep heeft appellant, die erkent dat vanwege het verbreken van het dienstverband geen actueel geschil meer bestaat over zijn haardracht, aangevoerd wel degelijk belang te hebben bij een oordeel over het bestreden besluit, omdat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en hij zich door de opdracht om binnendienst te doen vanwege zijn haardracht aangevallen voelde als persoon. Hij is gegriefd door de stelling dat zijn haardracht hem een autonome of rechts-extremistische uitstraling gaf. Appellant meent dat de opdracht inbreuk heeft gemaakt op zijn grondrechten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen staat het enkele feit dat appellant niet langer in dienst is bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond er naar het oordeel van de Raad niet aan in de weg dat hij belang heeft bij een beoordeling door de rechter of zijn bezwaarschrift tegen de opdracht om binnendienst te doen terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Uitsluitend op die wijze kan appellant - eventueel - antwoord krijgen op de vraag of door de opdracht in het verleden (al dan niet rechtmatig) inbreuk is gemaakt op zijn rechtspositie. Dat acht de Raad voldoende om procesbelang aan te nemen.

4.2. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 16 januari 2007, waarbij het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk is verklaard, beoordelen.

5.1. De korpsbeheerder is van opvatting dat de opdracht om binnendienst te doen niet meer is dan een normaal sturingsmiddel binnen de bestaande interne verhoudingen, als uitvloeisel van het hem in de ambtelijke arbeidsverhouding toekomend werkgeversgezag. Daar is bij betrokken dat het verrichten van binnendiensten tot de normale werkzaam-heden van appellant behoort. Appellant is volgens de korpsbeheerder daardoor niet in enig rechtspositioneel belang getroffen en van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen sprake. Appellant heeft de juistheid van deze zienswijze betwist.

5.2. De Raad stelt vast dat appellant als [naam functie] was belast met werkzaamheden in het proces wijkpolitie, directe hulpverlening. Per dienst werden binnen de ploeg de werkzaamheden door de chef verdeeld, waarbij twee medewerkers de opdracht kregen om gedurende de dienst werkzaam te zijn als [functie A] en [functie B] en aldus binnendienst te verrichten. Appellant was ten tijde hier van belang ingeroosterd voor de buitendienst. Door de omstreden opdracht werd dus wijziging gebracht in het rooster van de ploeg. De Raad is van oordeel dat die wijziging op één lijn kan worden gesteld met een gedeeltelijke ontheffing van de taken die appellant regulier verrichtte, te weten het doen van buitendienst. Daaraan doet niet af dat die wijziging toevallig betrekking had op slechts twee werkdagen. Had appellant daarna niet vakantieverlof gehad, dan had hij na die twee dagen evenmin werk in de buitendienst mogen verrichten. Om die reden kan niet worden staande gehouden dat de opdracht geen inbreuk maakte op de rechtspositie van appellant. Aldus bezien moet de opdracht worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

5.3. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Dat besluit moet worden vernietigd.

6. Nu partijen zich ook inhoudelijk over de aanvaardbaarheid van de opdracht hebben uitgelaten ziet de Raad voorts aanleiding om ter finale beslechting van dit geschil toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

6.1. De Raad is met appellant van oordeel dat de opdracht om vanwege de gekozen haardracht binnendienst te verrichten raakt aan de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het lichaam van appellant als bedoeld in artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant - naar eigen zeggen - de keuze heeft gemaakt zich te onderscheiden door zijn uiterlijk en de gekozen haardracht voor hem van wezenlijk belang is. Anders dan het geval was in de uitspraak van de Raad van 7 april 2005, LJN AT4006 en TAR 2005, 88, inzake het dragen van een - naar believen aan te brengen en te verwijderen - wenkbrauwpiercing, kan bij deze haardrachtkwestie niet worden gezegd dat de opdracht uitsluitend gevolgen heeft tijdens diensttijd. De opdracht impliceert dat, wil appellant zijn werk weer volledig kunnen verrichten, hij zijn kapsel aan de wensen van de korps-beheerder zal moeten aanpassen, hetgeen uit de aard der zaak ook geldt buiten werktijd. Dat brengt een beperking mee van de hiervoor genoemde grondrechten.

6.2. Ter beantwoording van de vraag of die beperking gerechtvaardigd is te achten stelt de Raad vast dat de opdracht berust op de “aanbeveling uiterlijke verschijning tijdens diensttijd” van het korps Rotterdam-Rijnmond van 22 juli 2005. Nog daargelaten of daarmee een voldoende basis is gegeven voor de beperking, is de Raad van oordeel dat het kapsel van appellant bezwaarlijk gelijk gesteld kan worden met de in die aanbeveling genoemde en blijkens illustraties bij de tekst bedoelde hanenkam. De (resterende) haardos van appellant was immers van (zeer) beperkte lengte. De Raad onderschrijft dan ook niet het standpunt van de korpsbeheerder dat de uiterlijke verschijning van appellant zoals blijkend uit tot de gedingstukken behorende foto’s, zodanig in strijd met de eisen van representativiteit en professionaliteit zou zijn dat een beperking als hier bedoeld gerechtvaardigd is te achten. De opdracht is dus niet houdbaar en de Raad zal haar dan ook herroepen.

7. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de korpsbeheerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 januari 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept de aanwijzing van 18 juli 2006;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 357,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD