Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
07-465 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitwerking vaststellingsovereenkomst (FPU-ontslag, FPU-aanvulling en een nader aangeduide compensatie voor het pensioenverlies tijdens de FPU-jaren). Een vanwege de Raad gemaakte berekening van een totale FPU-aanvulling tot een bedrag van € 57.829,38 is ter zitting door beide partijen als juist aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/465 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2006, 05/6208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.J. ter Meulen en P.L.J. Kuip, beiden werkzaam bij de Technische Universiteit Delft, en door J.J. Rijnja, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft beide partijen vragen gesteld.

Op 19 november 2009 is het geding opnieuw ter zitting behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, voornoemd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.J. ter Meulen en P.L.J. Kuip, beiden eveneens voornoemd.

Op het hoger beroep van het college tegen de aangevallen uitspraak (07/471 AW), dat (gedeeltelijk) ook is behandeld tijdens de zittingen van 16 oktober 2008 en 19 november 2009 zal na afronding van het daarop gerichte onderzoek separaat uitspraak worden gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Appellant is vanaf 1 november 1969 tot 1 februari 2004 aangesteld geweest bij de [naam universiteit] (hierna: universiteit). In juli 1999 hebben appellant en het college een vaststellingsovereenkomst (hierna: overeenkomst) gesloten die onder meer inhield, dat appellant bij het bereiken van de 61-jarige leeftijd per 1 februari 2004 met FPU-ontslag zou gaan en daarbij een nader omschreven aanvulling op zijn FPU-uitkering (hierna: FPU-aanvulling) en een nader aangeduide compensatie voor het pensioenverlies tijdens zijn FPU-jaren zou krijgen. Bij besluit van 12 augustus 1999 heeft het college appellant onder meer meegedeeld dat het totaalbedrag van de FPU-aanvulling en de pensioenpremie bij zijn ontslag zou worden uitbetaald. Met ingang van 1 februari 2004 is betrokkene met FPU-ontslag gegaan. De FPU-uitkering is niet tot uitbetaling gekomen ten gevolge van een aan appellant toegekende WAO-uitkering.

1.2. In 2004 hebben partijen gecorrespondeerd over de inhoud en de uitvoering van de FPU-aanvulling en de pensioencompensatie, hetgeen in november en december 2004 is gevolgd door overleg aan de hand van een op verzoek van het college door Loyalis opgesteld compensatieplan. Bij brief van 22 december 2004 is appellant een compen-satieplan van Loyalis aangeboden, inhoudende een koopsom ten bedrage van € 87.118,87, die zou leiden tot een maandelijkse uitkering van € 972,59 gedurende de FPU-periode, gevolgd door een levenslange maandelijkse uitkering van € 182,46 vanaf 1 februari 2008. Appellant heeft gemotiveerd te kennen gegeven dat met deze koopsompolis niet is voldaan aan de afspraken uit 1999. Namens hem is bij brief van 18 maart 2005 aan het college verzocht om op juiste wijze uitvoering te geven aan de overeenkomst; daarbij is ook gevraagd om vanaf 1 februari 2004 wettelijke rente te vergoeden. Bij besluit van

1 juni 2005 heeft het college deze verzoeken afgewezen, omdat volgens het college met de aangeboden koopsompolis een juiste uitvoering is gegeven aan de overeenkomst uit 1999. Het bezwaar is bij het bestreden besluit van 1 december 2005 ongegrond verklaard. In december 2005 en januari 2006 zijn aan appellant achtereenvolgens twee bedragen van bruto € 45.000,- uitbetaald.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard voor zover het - kort samengevat - de FPU-aanvulling betreft . Voor zover het de compensatie van het pensioentekort en de verschuldigdheid van de wettelijke rente betreft is het beroep gegrond verklaard met vernietiging van het bestreden besluit in zoverre en met bepalingen over griffierecht en proceskosten. Het college is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover het de FPU-aanvulling betreft. Het hoger beroep van het college (07/471 AW) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de pensioencompensatie en de verschuldigdheid van wettelijke rente. De Raad zal thans uitspraak doen op het hoger beroep van appellant.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt het Raad het navolgende.

3.1. Het college heeft op de zitting van 19 november 2009 verzocht om de door betrokkene op 12 november 2009 ingezonden nadere stukken buiten beschouwing te laten, aangezien deze stukken binnen 10 dagen voor de zitting zijn ingediend. De Raad zal dit verzoek honoreren, aangezien appellant vanaf 23 september 2009 op de hoogte was van de geplande zittingsdatum van 19 november 2009 en voldoende gelegenheid heeft gehad om na de door de Raad daartoe gegeven uitnodiging tijdig een schriftelijke reactie te geven op de brieven van het college over de FPU-aanvulling.

4. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de bij het bestreden besluit gehandhaafde hoogte van de FPU-aanvulling in rechte stand kan houden.

4.1. In verband met de uitleg van de overeenkomst stelt de Raad voorop, dat naar vaste rechtspraak (CRvB 22 februari 2007, LJN BA0555 en TAR 2007, 73) de vraag wat partijen zijn overeengekomen bij de vaststelling van die overeenkomst niet kan worden beantwoord enkel op grond van een strikte taalkundige uitleg van de bewoordingen daarvan. Van belang is eveneens wat partijen over en weer ten aanzien van die bewoor-dingen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2. De primaire stelling van appellant luidt dat hem een FPU-aanvulling toekomt ter hoogte van 80% van de laatstgenoten bezoldiging, aangezien de FPU-uitkering ten gevolge van anticumulatie niet tot uitbetaling komt. De Raad kan appellant hierin niet volgen en deelt in zoverre de opvatting van de rechtbank en in grote lijnen de door de rechtbank gegeven overwegingen. De tekst van de punten 5 en 8 van de overeenkomst biedt, mede gelet op de daaraan voorafgaande overwegingen, geen aanleiding een aanspraak aanwezig te achten die zou resulteren in een inkomen bestaande uit een bedrag ter hoogte van 70% van de FPU-grondslag plus 80% van de laatst genoten bezoldiging. De Raad wijst nog in het bijzonder op het volgende. Het gebruik van de woorden garantie en garandeert (op 80% van zijn laatste salaris) in de overweging onder het vijfde bolletje van de overeenkomst en in punt 8 van de overeen-komst houdt in dat dit bedrag niet met zekerheid zal worden betaald, maar dat het college ervoor zorg draagt (garandeert) dat appellants inkomen in elk geval 80% van zijn laatst-genoten bezoldiging zal bedragen. Tijdens appellants deelname aan de Regeling uittreden 55+ (tussen 1 september 1999 en 1 februari 2004) gold ingevolge de punten 5 en 8 van de overeenkomst voor appellant de garantie van 100% bezoldiging. Appellant heeft blijkens de gedingstukken in die jaren niet naast de hem toekomende WAO-uitkering 100% bezoldiging ontvangen. Tegen het achterwege blijven daarvan heeft hij geen rechts-middelen aangewend. Voor een verschillend regiem tussen de beide garanties ziet de Raad ook geen aanknopingspunt. Voor een oogmerk van partijen bij de overeenkomst te komen tot een inkomen van appellant ten bedrage van 120% van zijn laatst genoten bezoldiging, zoals appellant ter zitting heeft aangegeven, heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunt gevonden.

4.3. Subsidiair bepleit appellant dat de FPU-uitkering in afwijking van de vaststellings-overeenkomst moet worden aangevuld tot 85% van de laatstgenoten bezoldiging, omdat drs. L.M. Gubbels hem de verhoging van 80% naar 85% in het overleg op 29 november 2004 heeft toegezegd en dat percentage ook in het compensatieplan van Loyalis is verwerkt. Het college is van opvatting dat de 85% berekening alleen gelding had in relatie tot het compensatieplan van Loyalis, dat appellant echter niet heeft aanvaard. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het garantiepercentage van 80 is gewijzigd in 85. In de brief van 22 december 2004 ziet de Raad niet vastgelegd dat 85 als het nieuwe garantiepercentage geldt. Dit blijkt reeds uit de in het slot opgenomen volzin waarin het college zich het recht voorbehoudt om de genoemde 5% in te trekken als appellant het aangeboden compensatieplan niet zou ondertekenen. Ook anderszins is niet gebleken van een wijziging van de overeenkomst, zoals door appellant bedoeld.

4.4. De meer subsidiaire stelling van appellant is dat de berekeningswijze van de FPU-aanvulling verschillende fouten bevatte. Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Raad heeft het college een fout in zijn berekening erkend en aangegeven dat appellant een nabetaling behoort te krijgen. Een vanwege de Raad gemaakte berekening van een totale FPU-aanvulling tot een bedrag van € 57.829,38 is ter zitting door beide partijen als juist aanvaard.

4.5. Het vorenstaande brengt mee dat de Raad het bestreden besluit voor zover het college het bedrag van de FPU-aanvulling ongewijzigd heeft gehandhaafd, zal vernietigen. Ook de aangevallen uitspraak, voor zover dit gedeelte van het bestreden besluit daarbij in stand is gelaten, komt dus voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bedrag van de totale FPU-aanvulling bij zijn uitspraak vaststellen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 805,- aan kosten van rechtsbijstand .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover door appellant aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, voor zover daarbij het bedrag van de FPU-aanvulling is gehandhaafd en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Kent een FPU-aanvulling toe van in totaal € 57.829,38 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-;

Bepaalt dat het college appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD