Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08/6603 AW + 08/6604 AW + 08/6605 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving en functiewaardering; ingangsdatum wettelijke rente; vergoeding (buiten)gerechtelijke kosten; overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6603 AW, 08/6604 AW en 08/6605 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2008, 07/1630, 07/1631 en 07/1632, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Algemeen Bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek (hierna: bestuurscollege)

Datum uitspraak: 24 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuurscollege heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Hoetink, advocaat te Utrecht. Het bestuurscollege heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Bon, werkzaam bij Partem te Utrecht, R. de Haan, werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek, en drs. F. Otte, werkzaam bij adviesbureau Leeuwendaal te Rijswijk. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te [woonplaats].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1983 tot 1994 werkzaam bij het bureau Centrale Catalogus [naam vakgroep] (CCK) van [naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats], en van daaruit gedetacheerd bij de vakgroep [naam vakgroep] van de [naam faculteit].

1.2. Bij besluit van 23 november 1994 is op basis van een beschrijving van de indertijd door appellant vervulde functie bij het bureau CCK, deze functie gewaardeerd op hoofdgroep IV, niveaugroep d, overeenkomend met salarisschaal 9 van het Bezoldigings-besluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA), met terugwerkende kracht tot 1 juli 1984. De beslissing op bezwaar van 26 februari 1996, waarbij dit besluit is gehandhaafd, is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 20 augustus 1998, 96/876, vernietigd. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het bestuurscollege op basis van nader onderzoek door drs. F. Otte bij beslissing op bezwaar van 7 september 2000 de organieke functie-beschrijvingen van 1989 en 1992 aangevuld met een beschrijving van de door appellant gedurende de periode van 1989 tot 1994 feitelijk opgedragen werkzaamheden. Op basis van het rapport van drs. Otte van oktober 2000 is vervolgens bij beslissing op bezwaar van 8 februari 2002 de waardering van appellants functie bepaald op hoofdgroep IV, niveaugroep e, overeenkomend met salarisschaal 10 van het BBRA. Bij uitspraak van

16 augustus 2002, 98/8629 AW en 02/1116 AW, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 augustus 1998 bevestigd en de besluiten van 7 september 2000 en 8 februari 2002, die de Raad met toepassing van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in zijn beoordeling heeft betrokken, vernietigd, met opdracht aan het bestuurscollege om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de Raad overwogen dat het bestuurscollege in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb, omdat is nagelaten appellant in de gelegen-heid te stellen om te worden gehoord over de rapportages van drs. Otte en om een des-kundige in te schakelen teneinde appellant van advies te dienen omtrent de uitgevoerde functiewaardering. De Raad heeft voorts overwogen dat door de vernietiging van de besluiten het bestuurscollege ook de mogelijkheid heeft nader in te gaan op de door appellant opgeworpen grief dat de functiewaardering zich tevens zou dienen uit te strekken over de periode voorafgaande aan 1989.

1.3. Nadat minnelijk overleg tussen partijen niet tot een oplossing had geleid, heeft het bestuurscollege bij brief van 15 maart 2007 meegedeeld voornemens te zijn de beschrijving van de functie van appellant en de waardering daarvan vast te stellen con-form het in 2000 gegeven advies van drs. Otte, te weten hoofdgroep IV, niveaugroep e, overeenkomend met salarisschaal 10 van het BBRA met terugwerkende kracht tot 1 juli 1984. Appellant is vervolgens meer keren in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken. Daarvan heeft hij ook gebruik gemaakt. Bij besluit van 5 juni 2007 (hierna: besluit 1) is appellants bezwaar tegen het besluit van 23 november 1994 ongegrond verklaard en is overeenkomstig het voornemen van 15 maart 2007 beslist. Daarbij is tevens beslist € 322,- aan kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden. Bij besluit van eveneens 5 juni 2007 (hierna: besluit 2) is onder meer de ingangsdatum van de te betalen wettelijke rente over het verschil tussen schaal 9 en schaal 10 bepaald op 5 januari 1988. Bij besluit van 5 juni 2007 (hierna: besluit 3) is appellants verzoek om aanvullende vergoeding van de kosten van rechtsbijstand afgewezen. Bij besluit van 22 mei 2008 (hierna: besluit 4) is in verband met appellants verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan appellant € 500,- toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard, appellants verzoek om schadevergoeding in verband met besluit 1 afgewezen, het beroep tegen besluit 4 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bestuurscollege veroordeeld tot vergoeding van schade aan appellant ten bedrage van

€ 8.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

3. De Raad overweegt als volgt.

4. Besluit 1: functiebeschrijving en functiewaardering

4.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het bestuurscollege bij besluit 1 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn hiervoor genoemde eerdere uitspraak van 16 augustus 2002.

4.1.1. Bij besluit 1 is de beschrijving en waardering van de functie van appellant, overeenkomend met salarisschaal 10 van het BBRA, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1984 vastgesteld. De Raad acht het anders dan appellant niet onredelijk dat het bestuurs-college geen aanleiding heeft gezien om verdergaande terugwerkende kracht toe te passen. Met ingang van 1 juli 1984 is namelijk het BBRA in werking getreden, zodat het niet geoorloofd is om de functie van appellant ten aanzien van de periode vóór 1 juli 1984 te beschrijven en te waarderen volgens dit BBRA. Voorts neemt de Raad nog in aanmer-king dat appellant heeft berust in de beslissing van juli 1985, waarbij zijn functie met terugwerkende kracht tot 1 januari 1983 is ingedeeld in schaal 71 van het Bezoldigings-besluit, zoals dat tot 1 juli 1984 gold, te weten het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948.

4.1.2. Voorts constateert de Raad dat appellant na de uitspraak van 16 augustus 2002 meerdere keren door het bestuurscollege in de gelegenheid is gesteld zijn reactie kenbaar te maken op de rapportages van drs. Otte. Appellant heeft daarvan gebruik gemaakt en onder andere aangevoerd dat het onderzoek van drs. Otte dat ten grondslag ligt aan besluit 1 onzorgvuldig is geweest. De Raad kan appellant daarin niet volgen. Alvorens de feitelijke werkzaamheden van appellant over de periode 1989 tot en met 1994 in concept te beschrijven, heeft drs. Otte met appellant en onder andere zijn direct leidinggevende gesproken. Vervolgens heeft drs. Otte de door hem opgestelde conceptbeschrijving van deze werkzaamheden ter reactie aan appellant voorgelegd. De door appellant aangegeven aanpassingen zijn grotendeels door drs. Otte in de conceptbeschrijving overgenomen. Na voorlegging daarvan aan de voorzitter van de projectgroep CCK, is uiteindelijk op 7 september 2000 de beschrijving van de aan appellant gedurende de periode van 1989 tot 1994 feitelijk opgedragen werkzaamheden, als aanvulling op de organieke functiebeschrijvingen van 1989 en 1992, door het bestuurscollege vastgesteld. Vervolgens heeft drs. Otte op basis van de aldus vastgestelde beschrijving de functie van appellant in zijn rapport van 17 oktober 2000 gewaardeerd.

4.1.3. Appellant heeft voor zijn inhoudelijke grieven gericht tegen de aldus vastgestelde functiebeschrijving en functiewaardering verwezen naar zijn pleitnota, overgelegd ter zitting van de Raad op 5 juli 2002. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het taakonderdeel ‘ontwerpen van een systeem’, zoals appellant heeft beschreven in zijn pleitnota, voldoende is weergegeven in de door drs. Otte opgestelde functiebeschrijving. Voorts is de Raad niet gebleken dat drs. Otte bij het opstellen van zijn rapport van 17 oktober 2000 een zodanig onjuist beeld had van het CCK-project bij de Rijks-universiteit Utrecht, het belang daarvan en van de projectgroep en van het projectplan, dat de waardering van de functie van appellant door drs. Otte daarom niet houdbaar zou zijn.Ook de verklaring ter zitting van de Raad van de getuige, [naam getuige], die ten tijde in geding voorzitter van de Vakgroep [naam vakgroep] van de [naam faculteit] was, geeft daartoe geen aanleiding. Tegen de door drs. Otte in zijn rapport van 17 oktober 2000 toegekende scores in het kader van de functiewaardering heeft appellant ook in hoger beroep geen onderbouwde grieven aangevoerd. Hoewel appellant in de eerdere procedure bij de Raad nog heeft benadrukt de gelegenheid te willen hebben een deskundige in te schakelen, ten einde hem van advies te dienen omtrent de uitgevoerde functiewaardering constateert de Raad dat appellant daartoe uiteindelijk niet is overgaan.

4.1.4. Hoewel de door drs. Otte opgestelde functiebeschrijving en functiewaardering geen betrekking hebben op de periode van 1 juli 1984 tot 1989, acht de Raad het niet onhoud-baar deze beschrijving en waardering ook te laten gelden voor de werkzaamheden die appellant heeft verricht in die periode. Weliswaar heeft appellant gesteld dat zijn feitelijke werkzaamheden in die periode wezenlijk verschilden van de werkzaamheden die hij na 1989 heeft verricht, maar hij heeft deze stelling niet met verifieerbare gegevens onder-bouwd. De Raad hecht daarom doorslaggevend gewicht aan de verklaring van de getuige [naam getuige] die ter zitting van de Raad uitdrukkelijk heeft verklaard dat de feitelijke werkzaamheden van appellant over de gehele periode van 1 juli 1984 tot 1994 dezelfde waren.

4.1.5. De Raad ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding te oordelen dat het bestuurscollege de door drs. Otte opgestelde functiebeschrijving en functie-waardering uit 2000 niet aan besluit 1 ten grondslag kon leggen.

Uit het vorenstaande volgt dat besluit 1 voor zover het de functiebeschrijving en de functiewaardering betreft in rechte stand houdt.

4.2. Ten aanzien van de bij besluit 1 in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden kosten ad € 322,-, betrekking hebbend op de door appellant ingediende zienswijze op de voorgenomen beslissing van 15 maart 2007, heeft appellant aangevoerd dat het bestuurscollege daarbij gezien de zwaarte en complexiteit van de zaak ten onrechte niet de wegingsfactor 2,5 als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) heeft gehanteerd. Voorts is appellant van opvatting dat het bestuurs-college ten onrechte heeft geweigerd de kosten te vergoeden, verband houdende met zijn bezwaarschriften van 28 april 1992 en 22 december 1994 en met het verschijnen ter hoorzitting van 15 maart 1995.

4.2.1. Nog afgezien van het feit dat in het Besluit een wegingsfactor van 2,5 niet voorkomt, is de Raad van oordeel dat de zaak na de uitspraak van de Raad van

16 augustus 2002 niet zodanig zwaar en complex is te achten dat een hogere wegingsfactor dan 1 op zijn plaats is.

4.2.2. Voorts stelt de Raad stelt vast dat ten aanzien van de overige door appellant gevorderde kosten door hem gemaakt in de bestuurlijke voorprocedure, gelet op het overgangsrecht dat is opgenomen in de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures (Stb. 2002, 55), het recht zoals dat gold vóór 12 maart 2002 van toepassing is. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad hield dat recht in dat de in de bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene moesten blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking dienden te komen. Van een bijzonder geval als hier bedoeld was sprake indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoonde, dat gezegd moest worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit had genomen (CRvB 24 januari 1995, JB 1995/47, en CRvB 29 mei 1998, AB 1998, 418). De gedingstukken bieden evenwel onvoldoende steun voor de vaststelling dat het bestuurscollege met zijn besluitvorming indertijd ’tegen beter weten in’ heeft gehandeld.

4.3. Het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op besluit 1 slaagt derhalve niet.

5. Besluit 2: Ingangsdatum wettelijke rente

5.1. Ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bestuurscollege door uit te gaan van de ingangs-datum 5 januari 1988 niet in strijd heeft gehandeld met de vaste rechtspraak van de Raad, inhoudende dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf het moment dat het bestuurs-orgaan de bezoldiging uiterlijk zou hebben moeten betalen, indien het onrechtmatig geoordeeld besluit zou hebben geluid, zoals het rechtens had moeten luiden. Dat oordeel van de rechtbank onderschrijft de Raad volledig. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd evenmin aanleiding om van genoemde rechtspraak af te wijken.

5.2. Derhalve slaagt het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover het besluit 2 betreft evenmin.

6. Besluit 3: Vergoeding (buiten)gerechtelijke kosten

6.1. Appellant heeft schadevergoeding gevraagd van de werkelijk door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand in alle door hem gevoerde procedures met betrekking tot de functiebeschrijving en functiewaardering, waaronder de kosten verband houdende met het samenstellen van het procesdossier, nu het bestuurscollege naar de mening van appellant daarmee in gebreke is gebleven.

6.2. De Raad is van oordeel dat de door appellant gevorderde schade betrekking heeft op proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. In de uitspraken in eerder door hem gevoerde procedures is over de vergoeding van proceskosten telkens al een beslissing gegeven. In de huidige procedure kunnen die proceskosten niet meer aan de orde komen. Aangezien voorts artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt, is naar vaste rechtspraak van de Raad voor een (aanvullende) vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats. Gelet hierop heeft het bestuurscollege terecht het verzoek om vergoeding van deze schade afgewezen.

6.3. Dat betekent dat ook het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover het besluit 3 betreft, niet slaagt.

7. Besluit 4: Overschrijding redelijke termijn

7.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit van 22 mei 2008 vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het bestuurscollege de door appellant geleden schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van de EVRM ad € 8.000,- vergoedt. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich met de hoogte van dat bedrag niet te kunnen verenigen.

7.2. De Raad stelt voorop dat appellant uitsluitend heeft verzocht om hem schadevergoe-ding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn voor zover deze aan het bestuurscollege is toe te rekenen. De Raad stelt vast dat vanaf het bezwaarschrift van december 1994, gericht tegen het onderhavige primaire besluit van 23 november 1994, tot aan het moment waarop opnieuw op dat bezwaar is beslist, 12 ½ jaar is verstreken. Aangezien de rechterlijke fase in de eerste ronde veel langer heeft geduurd dan de daar- voor geldende periode van 3,5 jaar en die overschrijding niet aan het bestuurscollege kan worden toegerekend, terwijl voorts sprake is van een periode van stilzitten omdat partijen hebben getracht een minnelijke regeling te treffen, komt de Raad tot de slotsom dat appellant met toekenning van een bedrag ad € 8.000,- aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet tekort is gedaan.

7.3. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover het besluit 4 betreft, slaagt dus evenmin.

8. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in zijn geheel moet worden bevestigd.

9. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD