Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8769

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
06/5863 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (35-45%). Geen onderzoek verricht door een verzekeringsarts. Hierdoor is de kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek onvoldoende gewaarborgd. Gebrek niet geheeld. Na nadere rapportages kan geconcludeerd worden dat FML juist is vastgesteld en de geselecteerde functies passend zijn. Vernietiging bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5863 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2006, 05/3061 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van den Brom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Het Uwv heeft een nader stuk ingezonden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1959, is van Marokkaanse afkomst. Hij heeft laatstelijk op 5 november 1992 zijn werkzaamheden als productiemedewerker in verband met klachten aan de rechter achillespees gestaakt. Vanaf begin 1993 stonden psychische klachten voorop. Met ingang van 29 oktober 1993 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 31 maart 1994 heeft de psychiater N.A. van Waalwijk van Doorn rapport omtrent appellant uitgebracht. Deze adviseerde appellant naar Marokko te laten terugkeren. In 1994 is appellant naar Marokko teruggekeerd. Omstreeks deze tijd is zijn vergunning tot verblijf in Nederland geëindigd.

1.3. Op 28 augustus 1998 heeft appellant verzocht zijn uitkering, die voor de duur van vijf jaar was toegekend, te continueren. Toen een rapport van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) uitbleef, heeft het Uwv de arts F. Lamouri verzocht omtrent appellant te rapporteren. Deze heeft appellant tevens doen onderzoeken door de psychiater dr. F. Merini. Lamouri heeft op 13 december 2001 rapport uitgebracht.

1.4. Naar aanleiding van de rapportage van Lamouri heeft de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk op 5 maart 2002 rapport uitgebracht en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Op basis hiervan heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant aan de hand daarvan vastgesteld op 39%. Bij besluit van 6 maart 2003 heeft het Uwv appellant bericht dat zijn uitkering per 29 oktober 1998 wederom voor vijf jaar wordt voortgezet, aanvankelijk naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% doch met ingang van 3 september 2003 naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.5. Het Uwv stelt appellant in oktober 2002 en mei 2003 een formulier te hebben toegezonden teneinde voortzetting van zijn uitkering aan te vragen. Appellant ontkent deze brieven te hebben ontvangen. Op 2 maart 2004 heeft appellant voorzetting van zijn uitkering aangevraagd. Op een door hem in augustus 2004 ingevuld en geretourneerd formulier heeft hij aangegeven dat zijn toestand op sommige aspecten is verslechterd.

1.6. Een “Selectieonderzoek herbeoordeling 5e jaars” van 18 oktober 2004 bevat een ‘beschouwing MM’. Deze leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een significante verandering ten opzichte van de eerder vastgelegde situatie, in elk geval geen verbetering. Bij besluit van 13 december 2004 is appellant medegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 29 oktober 2003 ongewijzigd wordt voortgezet.

1.7. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 december 2004. Daarbij is naar voren gebracht dat eraan voorbij is gegaan dat appellant heeft aangegeven dat sprake is van toename van zijn klachten en dat een Amberbeoordeling had moeten plaatsvinden. Daarnaast worden twee brieven van appellants behandelend psychiater dr. N. Benabdellah overgelegd.

1.8. Op 15 april 2005 is rapport uitgebracht door de bezwaarverzekeringsarts M.C. van Wijnen. Deze heeft de rapportage van de verzekeringsarts Van Eldijk en de door hem opgestelde FML beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet onjuist zijn. Nadat rapport was uitgebracht door een bezwaararbeidsdeskundige, is bij het bestreden besluit van 20 juni 2005 het besluit van 13 december 2004 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe – kort weergegeven – overwogen dat appellant in Marokko is onderzocht, dat een verzekeringsarts op basis van die gegevens een FML heeft opgesteld en dat dit alles door de bezwaarverzekeringsarts akkoord is bevonden. Voorts is overwogen dat appellant zijn standpunt niet met medische gegevens heeft onderbouwd.

3. Appellants gemachtigde heeft in hoger beroep gesteld dat de uitspraak van de rechtbank onbegrijpelijk is. Zij heeft naar voren gebracht dat appellant in verband met zijn herbeoordeling per 29 oktober 2003 heeft aangegeven dat zijn toestand is verslechterd en dat dit ten onrechte niet heeft geleid tot een AMBER-onderzoek. Voorts is erop gewezen dat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden; het laatste onderzoek dateert van 2001 en is – aldus appellants gemachtigde – ‘flinterdun’. Ten slotte is opgemerkt dat appellant niet te verwijten valt dat hij het formulier eerst in augustus 2004 heeft ingevuld, nu hem dit niet eerder heeft bereikt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Daargelaten aan wie is toe te schrijven dat appellant eerst in augustus 2004 een formulier heeft ingevuld, kan er niet aan voorbij worden gegaan dat dit formulier betrekking heeft op de verlenging van zijn uitkering per 29 oktober 2003. De beantwoording van de vragen kan derhalve tevens betrekking hebben op laatstgenoemde datum. Appellant heeft aangegeven dat zijn toestand op enkele aspecten is verslechterd. Daarnaar is met betrekking tot de datum in geding ten onrechte geen onderzoek gedaan.

4.2. Vervolgens moet de Raad vaststellen dat naar aanleiding van dit formulier slechts een beschouwing is gegeven door ‘MM’. Desgevraagd heeft het Uwv laten weten dat deze letters staan voor ‘medisch medewerker’ en dat dit een medisch geschoold persoon is. Niet duidelijk is of het hier een arts betreft. In elk geval is duidelijk dat geen onderzoek is verricht door een verzekeringsarts. Zoals de Raad bij herhaling heeft overwogen (bijvoorbeeld op 18 juli 2007, LJN BA9904), is aldus de kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek onvoldoende gewaarborgd.

4.3. In de bezwaarfase is rapport uitgebracht door de bezwaarverzekeringsarts Wijnen. Deze heeft slechts de rapportage van de verzekeringsarts Van Eldijk en de door hem opgestelde FML in zijn beschouwing betrokken, die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van 6 maart 2003. Noch op het door appellant ingevulde formulier, dat aan de voorzetting van zijn uitkering per 29 oktober 2003 ten grondslag lag, noch op de in bezwaar naar voren gebrachte medische informatie is ingegaan. Het onder 4.2 genoemde gebrek in de totstandkoming van het besluit van 13 december 2004 is derhalve niet geheeld. Bovendien kan niet worden gezegd dat in bezwaar een heroverweging van dat besluit heeft plaatsgevonden, hetgeen in strijd is met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4. Het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene leidt tot de conclusie dat de besluitvorming van het Uwv in strijd met de wet tot stand is gekomen. Dat besluit kan dan ook niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit alles niet onderkend en de aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

4.5. In hoger beroep heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord. Onder andere is een tweetal rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Hulst en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe overgelegd. Hulst heeft de beschikbare medische gegevens aan een nadere beschouwing onderworpen en is gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat de voor appellant opgestelde FML juist kan worden geacht. Pompe heeft nader toegelicht dat de geselecteerde functies met de voor appellant geldende beperkingen uitgevoerd kunnen worden.

4.6. De Raad kan zich in het standpunt van Hulst en Pompe vinden. Zoals hij onder 3.1 heeft overwogen moet er weliswaar van worden uitgegaan dat de door appellant aangegeven verslechtering van zijn toestand tevens betrekking kan hebben op 29 oktober 2003, maar er kan niet aan worden voorbijgegaan dat appellants behandelend psychiater Benabdellah in juni 2004 aangeeft dat zich een verslechtering heeft voorgedaan. De Raad houdt het er dan ook voor dat de door appellant aangegeven verslechtering van zijn gezondheidstoestand zich eerst na de datum in geding heeft voorgedaan. Zoals ter zitting is aangegeven heeft het Uwv in verband met die verslechtering inmiddels besloten over appellants aanspraken in het kader van de Amberwetgeving.

4.7. Het onder 4.5 en 4.6 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

5. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,– voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,– voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 966,–.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,–;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

mm