Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08/7120 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 55,60. Zorgvuldig medisch onderzoek. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Uit het arbeidskundige rapport van 10 januari 2008 komt naar voren dat de functies aan appellant zijn voorgehouden. Dit rapport is met het bestreden besluit aan appellant toegezonden. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, ook indien de functies niet inhoudelijk zouden zijn besproken met appellant, het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig moet worden geacht. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel. Juiste vaststelling dagloon. De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7120 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2008, 08/516

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M.A.T. Huisman te Leusden hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2009. Het geding is daar gevoegd behandeld met het geding bij de Raad bekend onder nr. 08/7121 WIA tussen dezelfde partijen. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 19 januari 2004 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens nekklachten en psychische klachten. Daarvoor was appellant tot 28 juli 2003 werkzaam als [naam functie].

1.2. Door middel van een formulier, ondertekend op 10 oktober 2005 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 7 juli 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 16 januari 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering.

2.1. Het medisch onderzoek in de bezwaarfase is verricht door bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven. Deze verzekeringsarts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft aansluitend met appellant gesproken. Tevens hebben er op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts een neurologisch onderzoek en daarna een klinisch neuropsychologisch onderzoek plaatsgevonden. In een rapport van 28 februari 2007 heeft neuroloog dr. E.M.H. van den Doel geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van een torticollis waardoor appellant beperkt is voor werkzaamheden die een langdurig gefixeerde positie van de halswervelkolom met zich meebrengen. Tevens is appellant beperkt te achten bij nek- en schouderbelastende werkzaamheden. Uit het rapport van 7 december 2007 van neuropsycholoog drs. A.F.M.M. Verdonck blijkt dat geen aanwijzingen werden gevonden voor een organisch cerebraal disfunctioneren of voor specifieke cognitieve functiestoornissen. Wel zijn er duidelijke aanwijzingen voor een persoonlijkheidsproblematiek waardoor er beperkingen zijn van de psychische belastbaarheid. Er zijn aanwijzingen voor een beperkte spankracht, problemen ten aanzien van conflicthantering, het werken onder tijdsdruk en het hanteren van conflicterende functie-eisen.

2.2. Naar aanleiding van de expertiserapporten heeft bezwaarverzekeringsarts Greven aanvullend gerapporteerd op 20 december 2007. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanleiding gezien om een aantal door de primaire verzekeringsarts aangenomen beperkingen te laten vervallen omdat deze niet zijn terug te voeren op geobjectiveerde gevolgen van ziekte. De door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 december 2007. Met inachtneming van deze FML heeft bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband opnieuw de geduide functies beoordeeld en in het rapport van 10 januari 2008 geconcludeerd dat twee van de primair geduide functies komen te vervallen. Er blijven echter voldoende functies over om een schatting op te baseren, waarbij het verlies aan verdienvermogen wijzigt in 55,60%, hetgeen geen gevolgen heeft voor de arbeidsongeschiktheidsklasse. In het verlengde hiervan heeft het Uwv bij besluit van 17 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2006 formeel gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 55,60%, met de bijbehorende arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaarschrift heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 112 van de Wet WIA gestelde termijn is overschreden, maar dat het Uwv heeft gewezen op de omstandigheid dat er uit oogpunt van zorgvuldigheid in de bezwaarfase twee deskundigen zijn geraadpleegd. Niet is gebleken dat appellant door overschrijding van de termijn schade heeft geleden of anderszins is benadeeld, zodat deze beroepsgrond naar het oordeel van de rechtbank niet slaagt.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellant is van oordeel dat het Uwv zijn beperkingen tengevolge van de torticollis spasmodica heeft onderschat. Appellant acht zich niet in staat om fulltime te werken noch om de geduide functies te vervullen. Appellant heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 13 januari 2006, LJN AV0171, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens appellant volgt uit die uitspraak dat voor hem tevens een beperking wat betreft (langdurig) hand- en vingergebruik had moeten worden aangenomen omdat appellant zijn hoofd steeds moet ondersteunen met één hand. Voorts is in die zaak (wel) een urenbeperking aangenomen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in de bezwaarfase twee expertises hebben plaatsgevonden. Met inachtneming van de uitkomst van beide expertises heeft bezwaarverzekeringsarts Greven op 20 december 2007 aanvullend gerapporteerd en de belastbaarheid van appellant opnieuw vastgesteld in de FML van 20 december 2007. In hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidssituatie op de datum in geding.

5.2.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de drie in de bezwaarfase uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant. Uit het arbeidskundige rapport van 10 januari 2008 komt naar voren dat de functies aan appellant zijn voorgehouden. Dit rapport is met het bestreden besluit aan appellant toegezonden. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, ook indien de functies niet inhoudelijk zouden zijn besproken met appellant, het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig moet worden geacht.

5.3.1. Het beroep van appellant op de EG-richtlijn van 19 december 1978, nr. 79/7, betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid, is niet nader onderbouwd en kan reeds hierom niet slagen.

5.3.2. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen, nu in de door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad van 13 januari 2006, LJN AV0171, weliswaar sprake was van een zelfde diagnose, maar de omstandigheden in beide zaken voor het overige niet vergelijkbaar zijn.

5.3.3. Voor zover appellant heeft beoogd om de vaststelling van het dagloon te betwisten, is de Raad van oordeel dat ook dit standpunt niet nader is onderbouwd. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding om de vaststelling van het dagloon voor onjuist te houden.

5.4. Gelet op het voorgaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 16 januari 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 55,60.

5.5. Ter zitting is namens appellant een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad stelt in de eerste plaats vast dat door of namens appellant geen hoger beroep is ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank om geen schadevergoeding toe te kennen in verband met de schending van de redelijke termijn bij de afhandeling van het bezwaarschrift. Dit betekent dat in hoger beroep nog slechts ter beoordeling is of sprake is (geweest) van een te lange behandelingsduur door de rechtbank en/of de Raad. Daarbij dient in de eerste plaats de duur van de procedure in haar geheel, derhalve vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift te worden bezien.

5.6. Zoals de Raad al eerder heeft uitgesproken, bij voorbeeld in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is in een procedure in drie instanties, zoals de onderhavige, de redelijke termijn in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In het onderhavige geval ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden aanwezig om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 14 augustus 2006 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van het verzenden van deze uitspraak zijn, zoals ook ter zitting door de gemachtigde van appellant is erkend, nog geen vier jaren verstreken. De redelijke termijn is al om die reden niet overschreden. De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

5.7. De overwegingen 5.2.1 tot en met 5.6 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Tot slot ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.C.A. Wit.

KR