Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
08-6459 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WW-uitkering. Naar het oordeel van de Raad is het besluit terecht aangemerkt als een besluit tot terugvordering van te veel betaalde WW-uitkering. Doordat de terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-uitkering dwingend is voorgeschreven heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht en op goede gronden in stand gelaten. De Raad overweegt hierbij dat niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien, nu niet is gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellante zal leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6459 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 september 2008, 08/119 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 december 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft E. Kort-Schenk, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2009. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

H.A.T. Laaracker.

II. OVERWEGINGEN

1. De Stichting Pensioenfonds ABP heeft appellante met ingang van 1 juli 2004 een herplaatsingstoelage toegekend op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder c, van haar Pensioenreglement. Appellante ontving op dat moment tevens een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en een invaliditeitspensioen. Verder was haar met ingang van 1 juli 2004 recht op een uitkering ingevolge de WW toegekend. De herplaatsingstoelage is met ingang van 1 januari 2006 beëindigd. Die beëindiging is naar aanleiding van een bezwaar van appellante daartegen ingetrokken, zodat de herplaatsingstoelage ook na 1 januari 2006 is uitbetaald.

2.1. Het Uwv heeft bij besluit van 9 juli 2007, voor zover thans van belang, een bedrag van € 1.953,-- bruto aan te veel betaalde WW-uitkering vanaf 1 januari 2006 van appellante teruggevorderd. Appellante heeft op 16 augustus 2007 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarbij zij heeft aangevoerd dat er geen wettelijke grondslag is om tot terugvordering over te gaan, omdat een herzieningsbesluit ontbreekt.

2.2. Bij besluit van 6 september 2007 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2006 herzien. Tevens heeft het Uwv van haar over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 een bedrag aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering teruggevorderd van € 1.953,-- bruto en € 156,24 vakantietoeslag, in totaal derhalve € 2.109,24 bruto. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt omdat zij met ingang van 1 januari 2006 in plaats van de WW-uitkering alsnog de herplaatsingtoelage ontving.

2.3. Bij beslissing op bezwaar van 10 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante van 16 augustus 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat slechts de terugvordering heroverwogen behoefde te worden, omdat de herziening van de WW-uitkering rechtens onaantastbaar is geworden doordat appellante tegen het besluit van 6 september 2007 geen bezwaar heeft gemaakt.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het besluit van 6 september 2007 en daarmee de onverschuldigdheid van de betaling van de WW-uitkering met ingang van 1 januari 2006 rechtens vaststond en dat het Uwv terecht tot terugvordering is overgegaan.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in navolging van het Uwv het geschil te beperkt heeft opgevat door ervan uit te gaan dat de onverschuldigd-heid van de betaling vaststond. Naar de mening van appellante is het besluit van 9 juli 2007 vervangen door het besluit van 6 september 2007 en hadden het Uwv en de rechtbank haar bezwaar van 16 augustus 2007 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten achten mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 september 2007.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het besluit van 9 juli 2007, dat als onderwerp vermeldt: “Verrekeningsvoorstel teveel ontvangen uitkering”, begint met de volgende passage: “U heeft een uitkering van UWV. U heeft over de periode van 1 januari 2006 tot 1 maart 2007 teveel aan uitkering van ons ontvangen. Wij schrijven u deze brief om u te informeren over de hoogte van het teveel ontvangen bedrag en over de wijze van terugbetalen.” Het te veel ontvangen bedrag aan WW-uitkering is vastgesteld op € 1.953,-- bruto. Naar het oordeel van de Raad is dit besluit terecht aangemerkt als een besluit tot terugvordering van te veel betaalde WW-uitkering.

5.2. Het besluit van 6 september 2007, dat als onderwerp vermeldt: “Herziening en terugvordering WW-uitkering”, bevat de herziening van de WW-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2006 en een herhaalde terugvordering, ditmaal van een bedrag van € 2.109,24 bruto. Wat betreft de herziening is dit besluit naar het oordeel van de Raad niet aan te merken als een besluit tot intrekking of wijziging van het besluit van 9 juli 2007 als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, omdat het betrekking heeft op een ander onderwerp en berust op een ander juridisch kader. Nu appellante tegen het herzienings-besluit geen bezwaar heeft gemaakt zijn de rechtbank en het Uwv er terecht van uitgegaan dat de herziening van de WW-uitkering van appellante ten tijde van het bestreden besluit rechtens vaststond.

5.3. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-uitkering dwingend is voorgeschreven heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht en op goede gronden in stand gelaten. De Raad overweegt hierbij dat niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien, nu niet is gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellante zal leiden.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW