Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08-5671 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het in het besluit van 11 september 2007 neergelegde standpunt van het College dat het recht op bijstand van appellant (ook) vanaf 1 september 2006 definitief als ingetrokken moet worden beschouwd is onjuist, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet met zich brengt dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van 11 september 2007. De Raad acht de in het besluit van het College van 11 september 2007 neergelegde blokkering van de bijstand niet onjuist. De Raad begrijpt het standpunt van appellant zoals neergelegd in zijn beroepschrift van 24 oktober 2007 aan de rechtbank aldus, dat ook voor blokkering geen ruimte is omdat de rechtbank in haar uitspraak van 26 juli 2007 met betrekking tot de opschorting van de bijstand al heeft overwogen dat appellant wat betreft het tijdig aan het College ter beschikking stellen van het rapport van de Arbeidsinspectie geen verwijt treft. Dat is evenwel voor de vraag of de uitbetaling van de bijstand kan worden geblokkeerd niet van doorslaggevend belang. Naar vaste rechtspraak is voor blokkering voldoende dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de betrokken bijstandsgerechtigde ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand ontvangt. De Raad volgt het College in zijn standpunt dat een zodanig vermoeden kon worden ontleend aan de destijds voorhanden zijnde gegevens, die de aanleiding hebben gevormd voor het in de maand september van 2006 aangevangen fraude-onderzoek van de sociale recherche jegens appellant. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5671 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 augustus 2008, 07/2926 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Voor appellant is verschenen mr. Deijkers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Djordjevic, werkzaam bij de gemeente Drechterland.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 22 september 2006 heeft het College de bijstand met ingang van 1 september 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB opgeschort op de grond dat uit onderzoek van de Arbeidsinspectie is gebleken dat appellant volledig werkzaam is bij een bedrijf in [plaatsnaam], waarover appellant nadere gegevens dient te verstrekken. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het College, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2006 ingetrokken. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 22 september 2006 en 31 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het College vastgesteld dat appellant geen recht op bijstand had over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006, en heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken en de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd.

1.4. De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 26 juli 2007 het tegen het besluit van 13 februari 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit zowel wat betreft de opschorting als wat betreft de intrekking vernietigd wegens een ondeugdelijke wettelijke grondslag, en het College opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van appellant.

1.5. Ter uitvoering van de bij 1.4 genoemde uitspraak heeft het College op 11 september 2007 opnieuw op de bezwaren tegen de besluiten van 22 september 2006 en 31 oktober 2006 beslist. Daarbij zijn laatstgenoemde besluiten herroepen en is verder volstaan met het nemen van een besluit tot blokkering van de bijstand van appellant met ingang van

1 september 2006. Met betrekking tot de intrekking van de bijstand heeft het College overwogen dat er geen aanleiding is om daarover een nader besluit te nemen, nu bij onherroepelijk besluit van 15 februari 2007 reeds is beslist tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 15 februari 2007 en dat dit betekent dat in rechte vaststaat dat appellant vanaf 1 januari 2006 geen recht op bijstand meer had.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen het besluit van het College van 15 februari 2007. De Raad verenigt zich met dat oordeel en met de overwegingen - zoals neergelegd in de onderdelen 3, 4 en 5 van de aangevallen uitspraak - die de rechtbank tot dat oordeel hebben gebracht. Hetgeen appellant daarover in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. In zoverre treft het hoger beroep geen doel.

4.2. Evenals de rechtbank gaat de Raad er derhalve vanuit dat het besluit van 15 februari 2007 in rechte onaantastbaar is. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat dit niet met zich brengt dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van 11 september 2007. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

4.3. Bij besluit van 31 oktober 2006, welk besluit is gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 13 februari 2007, is het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2006 ingetrokken. Het daarna - op 15 februari 2007 - genomen besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2006 kan dus geen verdere reikwijdte hebben dan de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006, en had derhalve ook slechts rechtsgevolgen voor die periode. De vernietiging van het besluit van het College van 13 februari 2007 bij de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 juli 2007 bracht dan ook met zich dat opnieuw diende te worden beslist over het recht van appellant op bijstand vanaf 1 september 2006. Het in het besluit van 11 september 2007 neergelegde standpunt van het College dat het recht op bijstand van appellant (ook) vanaf 1 september 2006 definitief als ingetrokken moet worden beschouwd is dus onjuist, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend.

4.4. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4.5. De Raad acht de in het besluit van het College van 11 september 2007 neergelegde blokkering van de bijstand niet onjuist. De Raad begrijpt het standpunt van appellant zoals neergelegd in zijn beroepschrift van 24 oktober 2007 aan de rechtbank aldus, dat ook voor blokkering geen ruimte is omdat de rechtbank in haar uitspraak van 26 juli 2007 met betrekking tot de opschorting van de bijstand al heeft overwogen dat appellant wat betreft het tijdig aan het College ter beschikking stellen van het rapport van de Arbeidsinspectie geen verwijt treft. Dat is evenwel voor de vraag of de uitbetaling van de bijstand kan worden geblokkeerd niet van doorslaggevend belang. Naar vaste rechtspraak is voor blokkering voldoende dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de betrokken bijstandsgerechtigde ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand ontvangt. De Raad volgt het College in zijn standpunt dat een zodanig vermoeden kon worden ontleend aan de destijds voorhanden zijnde gegevens, die de aanleiding hebben gevormd voor het in de maand september van 2006 aangevangen fraude-onderzoek van de sociale recherche jegens appellant. In zoverre kan het besluit van 11 september 2007 stand houden.

4.6. Uit onderdeel 4.3 volgt dat het besluit van 11 september 2007 niet in stand kan blijven voor zover het de intrekking betreft.

4.7. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep tegen het besluit van het College van

11 september 2007 gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit dient te worden vernietigd voor zover het de intrekking betreft. Het College zal alsnog een (uitdrukkelijke) beslissing dienen te nemen over het recht van appellant op bijstand vanaf 1 september 2006. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 september 2007 voor zover het de intrekking betreft;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.288,--;

Bepaalt dat het College het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

mm