Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
09-565 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het besluit is een zelfstandig schadebesluit waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open stonden. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad heeft geen aanleiding gevonden het geding terug te wijzen naar de rechtbank. De Svb heeft in de gedeeltelijk weergegeven brief van 1 augustus 2007 gemotiveerd aangegeven dat in het geval van appellante de voorwaarden voor de vrijwillige verzekering niet ongunstiger zijn geweest vanaf 1 januari 2000 dan die voor de verplichte verzekering. Appellante heeft dit standpunt van de Svb niet betwist en de Raad ziet geen aanleiding het standpunt van de Svb onjuist te achten. De Raad is derhalve van oordeel dat het besluit van 11 oktober 2000 niet heeft geleid tot premie nadeel voor appellante als bedoeld in het arrest Van Pommeren, zodat dit besluit niet onrechtmatig kan worden geacht. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat dit besluit onrechtmatig is. Dit betekent dat de Svb terecht heeft geweigerd de door appellante gevorderde schade te vergoeden. Vernietiging uitspraak. Verklaart beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/565 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2008, 08/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 31 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2009. Appellante is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Boon, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren in mei 1939 en woont sedert november 1999 in België. Aldaar is zij tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd gebleven ingevolge onder meer de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW), op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746), omdat zij een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving. Met ingang van 1 januari 2000 is artikel 26 van KB 746 vervallen.

1.2. De Svb heeft appellante vervolgens bij besluit van 11 oktober 2000 in de gelegenheid gesteld zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren ingevolge de AOW en de ANW. Appellante heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 7 juli 2005 inzake Van Pommeren-Bourgondiën (C-227/03, hierna: Van Pommeren) zijn de artikelen 40 van de AOW en 63e van de ANW toegevoegd aan die wetten. Voorts is het Koninklijk Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005 (Stb. 720, hierna: KB 720) vastgesteld. In KB 720 is aan een bepaalde groep personen de mogelijkheid geboden zich alsnog vrijwillig te verzekeren krachtens de AOW en de ANW van 1 januari 2000 tot en met uiterlijk 31 december 2005.

1.4. Bij besluit van 11 september 2006 heeft de Svb appellante in de gelegenheid gesteld zich over de periode van 1 januari 2000 tot haar 65e verjaardag op 29 mei 2004 vrijwillig te verzekeren krachtens de AOW en de ANW op grond van KB 720. Vervolgens heeft de Svb bij besluiten van 19 december 2006 de verschuldigde premies over voornoemd tijdvak definitief vastgesteld. Bij besluit van 13 mei 2008 heeft de Svb de verschuldigde premies over 2003 en 2004 nader vastgesteld.

1.5. Appellante heeft aan de Svb gevraagd om de door haar geleden financiële nadelen, als gevolg van de ongelijke behandeling van vrijwillig verzekerden ten opzichte van verplicht verzekerden als vastgesteld in het arrest Van Pommeren, aan haar te vergoeden. Daarbij heeft zij erop gewezen dat in 2000 is besloten niet deel te nemen aan de vrijwillige verzekering. Op grond van KB 720 is appellante inmiddels toegelaten tot de vrijwillige verzekering, maar zij stelt schade geleden te hebben als gevolg van het onjuiste besluit van 11 oktober 2000.

1.6. De Svb heeft appellante bij brief van 1 augustus 2007 het volgende medegedeeld:

“De bewering dat de premie voor de vrijwillige AOW-verzekering voor u aanzienlijk minder gunstig is dan de premie voor de verplichte verzekering achten wij om twee redenen onjuist.

Allereerst is vrijwillige verzekering alleen ongunstiger dan verplichte verzekering in de volgende situaties:

a. als er kinderen tot het huishouden behoren: bij verplichte verzekering bestaat wel recht op persoonlijke heffingskortingen, zoals kinderkorting, bij vrijwillige verzekering niet.

b. als u ouder bent dan 65 jaar: bij verplichte verzekering bestaat wel recht op persoonlijke heffingskortingen zoals ouderenkorting, bij vrijwillige verzekering niet.

c. als u geen of een gering inkomen ontvangt: bij de verplichte verzekering is geen bedrag aan premies volksverzekeringen verschuldigd, terwijl bij vrijwillige verzekering altijd de minimumpremie verschuldigd is.

Bovenstaande omstandigheden zijn voor u over de periode 1 januari 2000 tot en met

28 mei 2004 niet van toepassing geweest.

Daarnaast geldt dat bij zowel de verplichte verzekering als bij de vrijwillige verzekering wordt uitgegaan van hetzelfde premiepercentage.”.

1.7. Namens appellante is vervolgens in diverse brieven de gestelde schade nader gemotiveerd. Tevens is verzocht die schade aan haar te vergoeden.

1.8. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft de Svb het verzoek om schadevergoeding van appellante afgewezen. Daarbij is overwogen dat de beëindiging van de verplichte verzekering niet onrechtmatig is bevonden door het Hof en de gestelde schade uitsluitend een gevolg is van het beëindigen van de verplichte verzekering per 1 januari 2000 voor personen als appellante.

1.9. Bij beslissing op bezwaar van 16 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met veroordeling van de Svb in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Tevens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak voorziend, het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat geen sprake is van een zogenoemd zuiver schadebesluit, waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open staan, nu de gestelde schade een gevolg is van de afschaffing van de verplichte verzekering als neergelegd in artikel 26 van KB 746. Dit betekent volgens de rechtbank dat de schade niet is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een door de Svb aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid.

3. Namens appellante is dit oordeel in hoger beroep bestreden. Daarbij is, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2007, aangevoerd dat de bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van besluiten over de beëindiging van de verplichte verzekering krachtens de AOW en de ANW.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In dit geding dient de Raad allereerst te beoordelen of de rechtbank terecht heeft besloten het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 januari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat geen sprake zou zijn van een zogenoemd zuiver schadebesluit waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen openstaan.

4.2. De Raad stelt vast dat het verzoek van appellante om vergoeding van de door haar gestelde schade samenhangt met de besluitvorming van de Svb over de toelating van appellante tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW vanaf 1 januari 2000. Appellante heeft aangevoerd dat het besluit van de Svb van 11 oktober 2000, waarbij haar de mogelijkheid is geboden zich vrijwillig te verzekeren, blijkens het arrest Van Pommeren onrechtmatig is. Zij heeft verzocht om de geleden financiële schade als gevolg van dat onjuiste besluit te verrekenen met de nog te betalen premies, voortvloeiend uit de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van KB 720.

4.3. Het besluit van 8 januari 2008, waarbij het verzoek van appellante is afgewezen, heeft naar het oordeel van de Raad betrekking op vergoeding van schade die veroorzaakt zou zijn door de Svb binnen het kader van de uitoefening van een hem op grond van het publiekrecht toekomende bevoegdheid, zijnde het nemen van een besluit omtrent de toelating tot de vrijwillige verzekering en de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde premies. Nu appellante tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit bezwaar had kunnen maken, is voldaan aan de vereisten van zogenoemde materiële en processuele connexiteit.

4.4. Het hiervoor onder 4.2 en 4.3 overwogene leidt ertoe dat het besluit van 8 januari 2008 een zogenoemd zelfstandig schadebesluit is, waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open stonden. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad heeft geen aanleiding gevonden het geding terug te wijzen naar de rechtbank.

4.5. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Allereerst dient derhalve beoordeeld te worden of het besluit van de Svb van 11 oktober 2000 onrechtmatig is, zoals namens appellante onder verwijzing naar het arrest Van Pommeren is aangevoerd.

4.6. De Raad stelt voorop dat het Hof in het arrest Van Pommeren de beëindiging van de verplichte verzekering krachtens de AOW en de ANW per 1 januari 2000 niet onrechtmatig heeft verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat indien de voorwaarden voor de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW ongunstiger zijn dan de voorwaarden voor de verplichte verzekering krachtens die wetten, zulks strijd oplevert met artikel 39 EG. Naar aanleiding van deze potentiële schending van het communautair recht is bij KB 720 besloten om personen als appellante in de gelegenheid te stellen alsnog deel te nemen aan de gewijzigde regeling voor de toelating tot de vrijwillige verzekering. Appellante heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Svb heeft in de hiervoor gedeeltelijk weergegeven brief van 1 augustus 2007 gemotiveerd aangegeven dat in het geval van appellante de voorwaarden voor de vrijwillige verzekering niet ongunstiger zijn geweest vanaf 1 januari 2000 dan die voor de verplichte verzekering. Appellante heeft dit standpunt van de Svb niet betwist en de Raad ziet geen aanleiding het standpunt van de Svb onjuist te achten. De Raad is derhalve van oordeel dat het besluit van 11 oktober 2000 niet heeft geleid tot premienadeel voor appellante als bedoeld in het arrest Van Pommeren, zodat dit besluit niet onrechtmatig kan worden geacht. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat dit besluit onrechtmatig is. Dit betekent dat de Svb terecht heeft geweigerd de door appellante gevorderde schade te vergoeden.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard dient te worden.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Svb aan de griffier van de Raad, aangezien ten behoeve van appellante een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt Svb in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht ad € 107,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

mm