Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
08-5494 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor vergoeding van de kosten van de computercursus en vergoeding van de kosten van de studie PDB. Voor de afwijzing van de aanvragen ziet de Raad voldoende grond in de overweging van H.J. Van Amerongen in zijn rapportage van 8 maart 2007 “dat appellant, gelet op zijn grillige gedrag gedurende voorgaande trajecten, alleen een kans van slagen heeft in de meer begripsvolle omgeving, die een traject onder het hoofdstuk Sociale Activering met zich meebrengt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat Uwv op grond van deze overweging, bezien in het licht van de met appellant in 2006 gemaakte afspraken, tot afwijzing van de aanvragen van appellant kon besluiten. De Raad moet namelijk vaststellen dat de nu in geding zijnde aanvragen van appellant geen betrekking hebben op de door appellant en Uwv overeengekomen reïntegratieactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5494 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 september 2008, 07/2358 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nr. 08/5495 en 07/730, plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellant is verschenen. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.M. Visser, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na sluiting van het onderzoek zijn de gedingen weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant (geboren in 1950) ontvangt sinds 1 oktober 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Sindsdien heeft appellant aan verschillende

reïntegratieactiviteiten deelgenomen.

1.2. Bij besluit van 14 november 2003, gehandhaafd bij besluit van 17 februari 2004, heeft Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de aanvraag van appellant om vergoeding van de kosten van de opleiding assistent boekhouder afgewezen. Bij uitspraak van 14 maart 2005 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 februari 2004 gegrond verklaard, omdat Uwv ten onrechte artikel 4:6 van de Awb heeft toegepast bij de afwijzing. Bij besluit van 30 september 2005 heeft Uwv het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard, omdat inmiddels een ander reïntegratietraject was gestart. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep hij later heeft ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 3 december 2003, gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2004, heeft Uwv besloten geen nieuw reïntegratietraject te starten. Bij uitspraak van 14 maart 2005 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 maart 2004 gegrond verklaard, omdat Uwv ten onrechte een verouderde tekst van artikel 22 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan dat besluit ten grondslag had gelegd. Bij besluit van 30 september 2005 heeft Uwv het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard, omdat inmiddels een ander reïntegratietraject was gestart. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep hij later heeft ingetrokken.

1.4. Appellant heeft in de periode van februari 2004 tot 1 oktober 2005 een

reïntegratietraject gevolgd bij Argonaut B.V. en Van Dreumel Depiro B.V. (hierna: Van Dreumel Depiro). In het kader van dit traject heeft appellant in juni 2004 de - door Uwv bekostigde - cursus Basiskennis Boekhouden succesvol afgerond. Uwv heeft in het kader van dat traject aan appellant tevens de opleiding Praktijkdiploma Boekhouding (hierna: PDB), bestaande uit de modules ‘Boekhouden’, ‘Bedrijfscalculatie en statistiek’ en ‘Handels- en wetskennis’ aan het ROC te Utrecht vergoed. Appellant is voor de tentamens van de modules ‘Boekhouden’ en ‘Bedrijfscalculatie en Statistiek’ gezakt. Het tentamen van de module ‘Handels- en wetskennis’ heeft hij niet gemaakt.

1.5. Appellant heeft het reïntegratietraject bij Van Dreumel Depiro hervat met ingang van april 2006. Aan deze hervatting ligt een overeenkomst tussen appellant en Uwv ten grondslag. Deze overeenkomst is vervat in de brieven van Uwv van 13 april 2006,

20 april 2006 en 28 april 2006 enerzijds en de brieven van appellant van 14 april 2006,

20 april 2006, 27 april 2006 en de fax van 1 mei 2006 anderzijds. Van deze overeenkomst maakt onderdeel uit dat Uwv de kosten vergoedt van de cursus en het examen ‘Praktijkdiploma boekhouden’ aan het ROC te Utrecht en de daarmee gemoeide reiskosten. Voorts is afgesproken dat het reïntegratietraject per augustus 2006 als beëindigd wordt beschouwd en dat van dit traject geen deel uitmaakt de cursus ‘Exact computerboekhouden’. Voor de situatie dat sprake is van niet-verwijtbaar niet slagen voor de opleiding ‘Praktijkdiploma boekhouden’ is het volgende afgesproken:

“Het Uwv koopt re-integratietraject in. Doelstelling van dit traject: inzet aanbodversterkende activiteiten en bemiddeling. Afhankelijk van de resultaten bij de opleiding ‘Praktijkdiploma boekhouden’ aan het ROC te Utrecht is met name overwegen:

- Repetitiecursus t.a.v. (onderdelen van) deze opleiding;

- Cursus ‘Boekhoudkundig medewerker’ aan het ROC te Utrecht, indien bestaand in

vorm en mogelijk als in najaar 2005;

- Andersoortige (korte) boekhoudkundige opleiding;

- Werkervaringsplaats/stage/bemiddeling”.

1.6. Appellant is in juni 2006 gezakt voor de examens ‘Boekhouden’ en ‘Bedrijfscalculatie en statistiek’. Het examen ‘Handels- en wetskennis’ heeft appellant niet gemaakt. Appellant heeft de studie PDB aan het ROC te Utrecht hierna gestaakt.

2.1. Appellant heeft op 11 juli 2006 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) bij Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van de computercursus Exact aan het ROC te Utrecht.

2.2. Appellant heeft op 29 augustus 2006 op grond van het bepaalde bij en krachtens de WAO bij Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van de studie PDB bij McDaniel Opleidingen te Woerden.

2.3. Bij besluit van 20 december 2006, gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2007, heeft Uwv de aanvragen van 11 juli 2006 en 29 augustus 2006 afgewezen. Hieraan liggen ten grondslag de rapportages van 5 december 2006, 8 maart 2007 en 31 mei 2007 van de arbeidsdeskundige H.J. van Amerongen respectievelijk de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen. Het in deze rapportages weergegeven standpunt komt erop neer dat het volgen van administratieve opleidingen niet (meer) bijdraagt aan het vergroten van de kans op het verkrijgen van arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Het opleidingsniveau van appellant is sedert 1988 op vergelijkbaar Meao-niveau gebleven en dit voldoet aan het vereiste startniveau van de voor appellant destijds geduide functies. Tevens is het, omdat appellant ouder is dan 48 jaar, niet te verwachten dat volledige om- of bijscholing vruchten zal afwerpen. Met betrekking tot de computercursus Exact is opgemerkt dat eerst een succesvolle afronding van het voortgezette reïntegratietraject kon worden afgewacht alvorens zou worden ingestemd met een vervolgcursus.

3.1. In beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij dient te worden (om)geschoold, zoals de rechtbank in 2005 heeft beslist. Hij zou zichzelf, door de studie te mogen volgen, eindelijk kunnen bewijzen. Het mag bovendien niet zo zijn dat men mensen boven een bepaalde leeftijd in feite afvoert. Met betrekking tot de computercursus Exact heeft appellant erop gewezen dat alle boekhoudingen tegenwoordig via de computer worden gedaan.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 31 juli 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat zij bij de uitspraken van 14 maart 2005 niet heeft geoordeeld dat de aanvragen hadden moeten worden toegewezen. Nu het opleidingsniveau van appellant gelijk is gebleven, theoretische kennis nauwelijks is omgezet in werkervaring en appellant voldoet aan het startniveau van de eerder geduide functies, ligt het volgens de rechtbank niet in de rede een vergelijkbaar traject als PDB te vergoeden. Uwv heeft de aanvragen van 11 juli 2006 en 29 augustus 2006 kunnen afwijzen.

3.3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij volstaan met een verwijzing naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 65f van de WAO heeft de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van Uwv noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.1.2. Bij de beoordeling van (onder meer) WAO-uitkeringsgerechtigden waarvan is vastgesteld dat een reïntegratietraject mogelijk is, hanteert Uwv voor het volgen van een scholing de Beleidsregels Protocol Scholing van 1 februari 2005, gepubliceerd in Stcrt.

4 juli 2005, nr. 126, p. 21 e.v. (hierna: Protocol Scholing). Blijkens onderdeel 3 van het Protocol Scholing vindt de beoordeling plaats aan de hand van de indicatoren:

A. Het bepalen van de noodzakelijkheid van scholing.

B. (...)

C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde.

4.2. De Raad stelt vast dat de afwijzing van beide aanvragen van appellant berust op de onder 2.3 genoemde arbeidskundige rapportages. Deze rapportages bevatten onder meer de overwegingen dat het opleidingsniveau van appellant al jaren op Meao-niveau is gebleven en niet valt in te zien wat de te volgen administratieve opleiding hieraan nog verder kan toevoegen en dat het, gelet op de leeftijd van appellant, thans niet meer mogelijk is om hem met een redelijke kans van slagen aan de te volgen administratieve opleiding te laten beginnen. Met deze overwegingen komt Uwv in feite terug op de sinds de start van de reïntegratietrajecten van appellant aangehouden beoordeling van de noodzakelijkheid van de scholing en de schoolbaarheid van appellant. In de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden ter onderbouwing van de door Uwv aangegeven gewijzigde beoordeling van de noodzakelijkheid van de scholing en de schoolbaarheid van appellant. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze overwegingen dan ook niet aan de afwijzing van de aanvragen ten grondslag worden gelegd.

4.3. Voor de afwijzing van de aanvragen ziet de Raad echter wel voldoende grond in de overweging van H.J. Van Amerongen in zijn rapportage van 8 maart 2007 “dat appellant, gelet op zijn grillige gedrag gedurende voorgaande trajecten, alleen een kans van slagen heeft in de meer begripsvolle omgeving, die een traject onder het hoofdstuk Sociale Activering met zich meebrengt. Anders gezegd, omdat er al drie maal een regulier traject voortijdig strandde, zie ik geen toegevoegde waarde om voor de vierde keer een regulier traject te starten.” Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat Uwv op grond van deze overweging, bezien in het licht van de met appellant in 2006 gemaakte afspraken, tot afwijzing van de aanvragen van appellant kon besluiten. De Raad moet namelijk vaststellen dat de nu in geding zijnde aanvragen van appellant geen betrekking hebben op de door appellant en Uwv overeengekomen reïntegratieactiviteiten.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

IJ