Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
08-4025 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4025 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 mei 2008, 07/798 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lucas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.F. de Fretes, werkzaam bij de gemeente Lelystad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 2 december 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een aantal tips, inhoudend dat appellant samenwoont met mevrouw [naam partner N.] (hierna: N.), met wie hij een relatie heeft (gehad) en met wie hij twee kinderen heeft, is op verzoek van de directeur van de Sector Sociale Zaken van de gemeente Lelystad door de Sociale Recherche Flevoland onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, zijn in de periode van 1 tot en met 13 februari 2006 waarnemingen gedaan en zijn in de periode van 19 februari 2006 tot en met 19 mei 2006 stelselmatige observaties verricht. Appellant en N. zijn verhoord en een aantal buurtbewoners/getuigen hebben verklaringen afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 juni 2006. In dat rapport is als één van de conclusies vermeld dat appellant en N. in de periode van 2 december 2004 tot en met 6 juni 2006 beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres] te Lelystad.

1.2. Bij besluiten van 27 en 28 juni 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 2 december 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 2 december 2004 tot en met 31 december 2005 tot een bedrag van bruto € 10.371,91 van appellant teruggevorderd. Het tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft gesteld dat hij sinds oktober 2003, toen hij nog geen bijstand ontving, samen met N. de woning aan de [adres] huurde, maar dat hij daar sinds november 2004 niet meer woont. Hij heeft voorts gesteld sinds november 2004 te wonen aan de [adres C] en vanaf eind januari 2006 aan de [adres B]. Tevens is aangevoerd dat het feit dat hij nog vaak in de woning aan de [adres] komt, niet betekent dat hij daar woont.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit tot intrekking. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 2 december 2004 tot en met 27 juni 2006.

4.2. In geschil is of appellant vanaf 2 december 2004 tot en met 27 juni 2006 met N. een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en op die grond moet worden aangemerkt als gehuwde in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu vast staat dat uit de relatie van appellant en N. kinderen zijn geboren, resteert in dit geding de vraag of appellant en

N. hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Hierbij dient te worden uitgegaan van concrete feiten en omstandigheden en zijn de omstandigheden die tot de feitelijke woonsituatie hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. De omstandigheid dat betrokkenen ten tijde in geding afzonderlijke woonadressen aanhouden hoeft niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College terecht heeft aangenomen dat appellant en N. ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van N. aan de [adres]. De Raad ontleent dit in het bijzonder aan de door appellant op 7 juni 2006 afgelegde verklaring tegenover verbalisanten van de Sociale Recherche. Appellant heeft toen - samengevat - onder andere verklaard dat hij vrije toegang heeft tot de woning aan de [adres], dat hij daar praktisch elke dag is, dat hij tussen de drie en vijf keer per week in die woning slaapt, dat hij daar zijn boodschappen brengt, kookt, eet, zijn kleding wast en droogt, er een deel van zijn administratie heeft liggen, er post ontvangt van de vrijmetselaarsloge en de schietvereniging en daar zijn rokkostuum en boeken van de vrijmetselaarsloge - waarvan hij bibliothecaris is - heeft liggen. Ook heeft hij verklaard dat als er een activiteit plaatsvindt, dat in de [adres] is, dat hij daar zijn gezin heeft, dat hij donders goed weet dat hij op het randje leeft en iets meer op de [adres B] moet verblijven. Voorts heeft appellant verklaard dat hij zich kan voorstellen dat de buitenwereld denkt dat hij vanaf oktober 2003 zijn hoofdverblijf heeft op de [adres]. De Raad constateert vervolgens dat de hiervoor aangehaalde gedeelten uit de verklaring van appellant stroken met verklaringen van buurtbewoners van de [adres] en hetgeen N. tegenover de Sociale Recherche heeft verklaard. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant in de in geding zijnde periode een zodanig gebruik van de woning aan de [adres] heeft gemaakt dat in feite van hoofdverblijf van appellant op dat adres moet worden gesproken.

4.4. Hetgeen namens appellant is aangevoerd ter ondersteuning van zijn andersluidende standpunt heeft niet kunnen leiden tot een ander oordeel van de Raad. Aangevoerd is dat op de adressen [adres C] en [adres B] een huisbezoek door de Sociale Dienst heeft plaatsgevonden waarbij geconstateerd is dat hij daar woonde, dat zijn buurman van de [adres B] heeft verklaard dat hij niet beter weet dan dat appellant daar woont, dat er nauwelijks observaties aan de [adres B] hebben plaatsgevonden en dat hij slechts in de verhuisperiode van [adres C] naar [adres B] een aantal nachten in de woning aan de [adres] heeft geslapen. De Raad ziet hierin geen aanleiding om in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De Raad merkt hierbij nog op dat uit de verklaring van bedoelde buurman blijkt dat deze geen zicht heeft op de mate van aanwezigheid van appellant in de woning aan de [adres B] en dat, zoals namens het College is aangevoerd, een huisbezoek slechts een momentopname is waaraan niet de door appellant gewenste gevolgtrekking kan worden verbonden, te weten dat daarmee is aangetoond dat hij in de in geding zijnde periode feitelijk zijn hoofdverblijf had op de door hem gestelde adressen.

4.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met N. Appellant moet derhalve voor de toepassing van de WWB als gehuwd worden aangemerkt. Hij kan om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand en had mitsdien geen recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Van die gezamenlijke huishouding heeft appellant, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, aan het College geen mededeling gedaan. Aangezien als gevolg daarvan aan appellant ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van het bepaalde in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 2 december 2004 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe niet in redelijkheid zou kunnen besluiten.

4.6. Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de ten behoeve van appellant over de periode van 2 december 2004 tot en met 31 december 2005 gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Niet is gebleken dat het College in strijd met zijn beleid tot terugvordering van appellant heeft besloten of in afwijking van dat beleid van terugvordering had moeten afzien.

5. De Raad ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Hamen J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

DW