Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
08-6755 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aflossing vastgesteld op € 66,-- per maand, de minimale aflossingsnorm voor een alleenstaande. Appellante beschikt over geen enkele bron van inkomsten en evenmin over vermogen. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het College het bedrag van de aflossing op € 0,-- had dienen vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6755 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 oktober 2008, 08/149 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting, gevoegd met het onderzoek in de gedingen 08/6727 WWB, 08/6728 WWB en 08/6756 WWB, heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Namens appellante zijn verschenen mr. De Wit en [naam zoon], de zoon van appellante. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. van Tricht, werkzaam bij de gemeente Delft.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak worden heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.Bij besluit van 10 mei 2006, voor zover hier van belang, heeft het College de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2005 ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 116.141,53 van haar teruggevorderd. Het College heeft bij besluit van eveneens 10 mei 2006 onder toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) de over de periode van 4 mei 2005 tot en met 31 oktober 2005 ten behoeve van de echtgenoot van appellante gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.971,40 mede van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 22 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen eerstgenoemd besluit van 10 mei 2006 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het tweede besluit in zoverre gegrond verklaard dat de ten behoeve van haar echtgenoot gemaakte kosten van bijstand over de periode van 4 mei 2005 tot en met 31 juli 2005 tot een bedrag van € 2.903,85 mede van appellante wordt teruggevorderd. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16 oktober 2008 het beroep tegen het besluit van 22 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, reg. nr. 08/6728 WWB, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 16 oktober 2008 bevestigd.

1.2. Appellante, die in 2005 is verhuisd naar de Verenigde Staten, heeft door middel van een op 26 maart 2007 ingevuld Vragenformulier betalingsregeling aan het College opgegeven dat zij geen inkomsten uit of in verband met arbeid en evenmin een uitkering of andere inkomsten ontvangt en dat zij niet beschikt over vermogen. Op dit formulier heeft appellante tevens aangegeven dat zij vanwege haar gezondheidstoestand niet in staat is om te werken, dat zij in het huis van haar broer woont en door haar dochters wordt onderhouden.

1.3. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het College bepaald dat appellante ter aflossing van haar schulden met ingang van 1 juni 2007 € 66,-- per maand, de minimale aflossingsnorm voor een alleenstaande, dient te betalen. Bij besluit van 29 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

29 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 60, eerste lid (tekst tot 1 juli 2009), van de WWB vermeldt een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gebracht.

4.2. Appellante heeft aan het College opgegeven dat zij over geen enkele bron van inkomsten beschikt en evenmin over vermogen. Het College heeft deze opgave niet bestreden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat appellante ten tijde hier van belang niet beschikte over financiële middelen om af te lossen op de beide vorderingen van het College. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het College het bedrag van de aflossing per 1 juni 2007 op € 0,-- had dienen vast te stellen. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep van appellante gegrond verklaren en het besluit van 29 november 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Nu het primaire besluit van 23 mei 2007 berust op dezelfde - onhoudbaar gebleken - grondslag als het besluit op bezwaar van 29 november 2007, ziet de Raad voorts aanleiding om, gebruik makend van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 23 mei 2007 te herroepen en het bedrag van de maandelijkse aflossing met ingang van 1 juni 2007 vast te stellen op € 0,--.

4.3. Aangezien herroeping van het besluit van 23 mei 2007 geschiedt wegens aan het College te wijten onechtmatigheid, zal de Raad het College veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

5. De Raad ziet tevens aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en eveneens op

€ 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 23 mei 2007 en stelt het bedrag van de aflossing per 1 juni 2007 vast op € 0,--;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante: in bezwaar en in beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan appellante en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm