Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
08-5290 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Naar het oordeel van de Raad blijkt evenmin dat een urenbeperking zou moeten worden gesteld. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De Raad is van oordeel dat de - in bezwaar - aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. De bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijen heeft naar het oordeel van de Raad bij rapportages van 20 mei 2008 en 12 november 2009 genoegzaam uiteengezet dat het maatmaninkomen van appellant, gebaseerd op zijn functie bij Defensie, juist is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5290 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2008, 07/5302

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 6 november 2009 zijn namens appellant de gronden van het hoger beroep verder aangevuld en zijn nadere stukken in geding gebracht. Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd met een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijen van 12 november 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Voor appellant is met bericht niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 22 mei 2004 in verband met postwhiplash syndroom uitgevallen voor zijn werkzaamheden als plaatsvervangend groepscommandant/duiker/chauffeur.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 2 maart 2007 vastgesteld dat er voor appellant ingaande 20 mei 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.

2. Bij besluit van 6 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2007 gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant ingaande 20 mei 2006 in aanmerking gebracht voor een WGA-uitkering, omdat appellant voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt is.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

4. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Onder verwijzing naar een tweetal brieven van psychiater drs. D.G.H. Krol heeft appellant betoogd dat het Uwv ten onrechte het standpunt inneemt dat hij tijde in geding somber was. Er was naar de mening van appellant sprake van een depressieve stoornis. Appellant acht zich (zwaarder) beperkt ten aanzien van het omgaan met conflicten en duurbelasting en meent, onder verwijzing naar een brief van 6 augustus 2007 van de medisch adviseur Laane en naar een rapport van 2 april 2008 van bureau Pels dat een urenbeperking had moeten worden gesteld. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant gesteld dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zijn maatmaninkomen juist heeft vastgesteld. Appellant heeft daartoe, onder verwijzing naar een op 13 juli 2009 gedateerd schrijven van Duikbedrijf Maas en Waal, gesteld dat hij - ware hij niet arbeidsongeschikt geworden - na afloop van zijn aanstelling bij Defensie (eind 2004) als zelfstandig duiker zonder personeel een hoger beloonde functie zou zijn gaan bekleden. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid uit dient te gaan van deze functie. Voorts heeft appellant betwist dat de voor hem geduide functies passend zijn.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vooreerst vast dat hij de brief van appellant van 16 november 2009, welke bij de Raad is binnengekomen met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van 10 dagen binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen, buiten beschouwing zal laten omdat het Uwv daarvan geen kennis heeft kunnen nemen.

5.2. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft gesteld geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant niet alleen is afgegaan op dossieronderzoek en eigen onderzoek maar zich ook heeft gebaseerd op een expertise van revalidatiearts W.C.G. Blanken. Op psychisch vlak stelde de verzekeringsarts vast dat appellant somber was, maar dat er geen aanwijzingen waren voor cognitieve functiestoornissen, stemmingsstoornissen of een ander psychiatrisch toestandsbeeld. De verzekeringsarts heeft beperkingen geformuleerd ten aanzien van werk dat een langdurige spanningsboog en/of grote concentratie vraagt en persoonlijk risico. De bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft, na eigen onderzoek en weging van informatie van de behandelend sector, de verzekeringsarts gevolgd in diens oordeel. De voor appellant vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is door de Carere op 1 item aangepast. Carere heeft in verband met de geclaimde prikkelbaarheid/psychische klachten geen aanvullende beperkingen - zoals ten aanzien van conflicthantering - noodzakelijk geacht, omdat hiervan niet gebleken was bij haar onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft meegewogen dat de psychiater Krol, die appellant van april 2007 tot medio juni 2007 heeft behandeld, de bij het intakegesprek aanvankelijk vastgestelde diagnose ‘depressie’ heeft verlaten en het standpunt inneemt dat er bij appellant sprake is van een ‘aanpassingstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming, geen persoonlijkheidsdiagnose’. Dit is een aanzienlijk minder ernstiger psychische diagnose. Carere heeft uitvoerig gemotiveerd waarom er geen argumenten zijn voor een urenbeperking, maar heeft uit preventief oogpunt vastgesteld dat appellant beperkt is voor sterk wisselende diensten, nachtdiensten en overuren. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende informatie van de behandelend psychiaters blijkt naar het oordeel van de Raad evenmin dat een urenbeperking zou moeten worden gesteld. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.

5.3.1. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen in de FML van 8 augustus 2007 is de Raad van oordeel dat de - in bezwaar - aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Het Uwv heeft bij rapportage van 13 september 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijen een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

5.3.2. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft aangevoerd over de vaststelling van zijn maatmaninkomen, overweegt de Raad als volgt. Op basis van het op 13 juli 2009 gedateerd schrijven van Duikbedrijf Maas en Waal kan naar het oordeel van de Raad niet met een redelijke mate van zekerheid worden aangenomen dat appellant, ware hij niet uitgevallen voor zijn werkzaamheden bij Defensie, ten tijde van zijn uitval werkzaam zou zijn geweest als zelfstandig duiker zonder personeel. De Raad acht daarbij van belang dat appellant louter ter oriëntatie op een eventuele baan als duiker een week heeft meegelopen in dat bedrijf en dat niet - middels een contractaanbod - is gebleken dat appellant perspectief had op een arbeidsovereenkomst dan wel dat appellant daarna als zelfstandig duiker zonder personeel werkzaam zou zijn geweest. De bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijen heeft naar het oordeel van de Raad bij rapportages van 20 mei 2008 en 12 november 2009 genoegzaam uiteengezet dat het maatmaninkomen van appellant, gebaseerd op zijn functie bij Defensie, juist is vastgesteld. De Raad is in hoger beroep niet gebleken dat appellant grieven heeft aangevoerd tegen de berekening daarvan.

5.4. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. Wit.

TM