Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
07-6105 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Voor wat betreft de medische grondslag kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest, is alle informatie van de behandelend sector, van de neuroloog, GGZ-arts, revalidatiearts en huisarts, meegewogen. De Raad komt tot de conclusie dat de belastbaarheid van appellante juist is ingeschat. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende inzichtelijk en toetsbaar uiteengezet dat de functies zowel in medisch opzicht als gelet op het opleidingsniveau geschikt zijn te achten voor appellante. De Raad is van oordeel dat eerst bij laatstgenoemde arbeidskundige rapportages volledig is voldaan aan de in de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het CBBS gestelde eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid. Daarom bestaat er aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6105 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 oktober 2007, 06/2691 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wolde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. G.A. Tellinga.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en bij brieven van 24 juni 2009 en 31 augustus 2009 vragen gesteld aan het Uwv. Bij brieven van 8 juli 2009 met bijlagen respectievelijk 4 september 2009 heeft het Uwv geantwoord.

Het geding is wederom behandeld ter zitting van de Raad op 16 november 2009. Partijen zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 4 februari 2004 voor haar werk als taxichauffeuse uitgevallen met rug-, been- en knieklachten alsmede psychische klachten. Het Uwv heeft bij besluit van 9 januari 2006 vastgesteld dat voor appellante na het verstrijken van de wettelijke wachttijd geen recht op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan onder de overweging dat zij op 1 februari 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. In bezwaar heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar lichamelijke en psychische belastbaarheid is overschat. Ter ondersteuning heeft zij informatie van de neuroloog, GGZ-arts, revalidatiearts en huisarts overgelegd.

1.3. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 januari 2006 ongegrond verklaard. Daaraan liggen ten grondslag twee rapportages van bezwaarverzekeringsartsen A.A.W. Haver en L.J. Zwemer van respectievelijk 18 juni 2006 en 17 oktober 2006 waarbij appellantes psychische en lichamelijke belastbaarheid is heroverwogen. Bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft zich kunnen vinden in de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, maar heeft de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op een aantal items bijgesteld in verband met een aantal verborgen beperkingen. In verband met deze bijstelling heeft de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen opnieuw het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en een aantal functies geselecteerd die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De vergelijking tussen het maatmaninkomen en de resterende theoretische verdiencapaciteit levert een loonverlies op van minder dan 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hierbij zijn de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet onjuist bevonden.

3. Namens appellante zijn de eerdere beroepsgronden herhaald. Appellante blijft van mening dat haar lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat. Haar rug-, been en knieklachten hebben geleid tot een scala aan chronische pijnklachten die haar bij haar dagelijkse activiteiten in ernstige mate hinderen. Voorts geeft appellante aan dat haar psychische problematiek niet goed in kaart is gebracht. Met deze klachten is appellante niet in staat de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies te verrichten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Voor wat betreft de medische grondslag kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest, is alle informatie van de behandelend sector, van de neuroloog, GGZ-arts, revalidatiearts en huisarts, meegewogen. Voor wat betreft haar psychische belastbaarheid neemt de Raad in aanmerking dat appellante in bezwaar nogmaals is gezien door bezwaarverzekeringsarts Zwemer. Deze heeft in de waargenomen toestand van appellante geen aanwijzingen gevonden voor een psychiatrisch toestandsbeeld of voor een ernstige persoonlijkheidsstoornis waardoor hij geen aanleiding heeft gevonden om in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren meer beperkingen op te nemen. Op de in hoger beroep ingebrachte medische informatie van neuroloog

G.S.D. van Leersum en van psychiater J.S. Verweij, is bezwaarverzekeringsarts Zwemer bij rapportage van 7 mei 2009 gemotiveerd ingegaan. De Raad onderschrijft deze reactie. Alles overziende komt de Raad tot de conclusie dat de belastbaarheid van appellante juist is ingeschat.

4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is in hoger beroep nog een tweetal arbeidskundige rapportages van 6 juli 2009 en 3 september 2009 overgelegd. In deze rapportages, waarin aan de hand van een nieuwe uitdraai van het CBBS een vijftal functies is geselecteerd, heeft de bezwaararbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk en toetsbaar uiteengezet dat deze functies zowel in medisch opzicht als gelet op het opleidingsniveau geschikt zijn te achten voor appellante.

4.4. De Raad is van oordeel dat eerst bij laatstgenoemde arbeidskundige rapportages volledig is voldaan aan de in de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het CBBS gestelde eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid. Daarom bestaat er aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand laten.

5. De Raad zal het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Omdat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit besluit in stand blijven, is voor de gevraagde vergoeding van bezwaarkosten geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR