Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
09-2546 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek van appellante had door het College moeten worden opgevat als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2546 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 08/2270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Hieruit blijkt dat als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling het Dagelijks Bestuur vanaf 1 mei 2009 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uitoefent die voorheen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn (hierna: College) werden uitgeoefend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Namens appellante is mr. Ronday verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.L. Bakker, werkzaam bij het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het College de aan appellante verleende bijstand over de periode van 19 september 2006 tot en met 30 september 2006 ten bedrage van € 484,85 netto van appellante teruggevorderd. Daarnaast heeft het College een bedrag van € 4.254,13, zijnde het restant van de bij besluit van 6 september 2006 aan appellante verleende bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening ten behoeve van de kosten van woninginrichting, van appellante teruggevorderd.

1.2. Bij brief van 12 december 2006 heeft appellante op het besluit van 30 november 2006 gereageerd. In deze brief geeft appellante aan zich te verenigen met de terugvordering over de periode van 19 september 2006 tot en met 30 september 2006. Voorts geeft appellante een uiteenzetting van de door haar gemaakte kosten van woninginrichting en voegt zij diverse kwitanties bij.

1.3. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het College de bijstand over de periode 1 april 2006 tot en met 18 september 2006 herzien en de verstrekte bijstand ten bedrage van € 7.965,97 van appellante teruggevorderd op de grond dat het recht op bijstand over deze periode niet is vast te stellen omdat appellante, ondanks herhaald verzoek, geen informatie heeft verstrekt aangaande de alimentatie en de boedelscheiding.

1.4. Bij brief van 12 maart 2008 stelt de gemachtigde van appellante dat de brief van 12 december 2006 beschouwd moet worden als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 20 december 2006 en verzoekt hij om de kwestie in behandeling te nemen c.q. af te handelen als een bezwaarschrift.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 13 mei 2008 heeft het College besloten niet tegemoet te komen aan het verzoek om de kwestie alsnog in behandeling te nemen c.q. de brief van 12 december 2006 af te handelen als een bezwaarschrift.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2008, met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het verzoek van appellante door het College had moeten worden opgevat als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit en ingevolge vaste jurisprudentie op één lijn moet worden gesteld met een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu de rechtbank van oordeel is dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante desgevraagd aangegeven dat in de onderhavige zaak geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Raad leidt hieruit af dat in hoger beroep uitsluitend de vraag aan de orde is of de brief van 12 december 2006 door het College had moeten worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 20 december 2006.

4.2. Gegeven reeds het feit dat de inhoud en/of de strekking van de brief van 12 december 2006 op generlei wijze samenhang vertoont met de inhoud van het besluit van 20 december 2006 is de Raad van oordeel dat deze brief niet kan worden aangemerkt als een (prematuur) bezwaarschrift tegen het besluit van 20 december 2006.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

mm