Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
08-2805 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De stelling van appellante dat zij reeds lang voordien, namelijk voordat zij op 1 juni 2004 een bedrijf startte, waarvan zij tot 1 september 2004 voor 16 uur per week directeur grootaandeelhouder (dga) was, arbeidsongeschikt was vindt naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun in de stukken. Dat appellante volgens de bezwaarverzekeringsarts niet heeft kunnen voldoen aan de eisen die in deze functie werden gesteld, impliceert naar het oordeel van de Raad niet dat reeds vóór de ziekmelding van 11 juli 2005 bij appellante een voor het onderhavige geding relevante arbeidsongeschiktheid is ingetreden. De verklaring van de psychiater dat appellante al bij de aanvang van haar werk als dga niet in staat was om die arbeid te verrichten c.q. enige arbeid te verrichten, acht de Raad onvoldoende onderbouwd. Ook de brief van 26 november 2007 van de huisarts, die appellante voor het eerst in 2005 heeft gezien, bevat geen medische gegevens die erop wijzen dat reeds voor 11 juli 2005 sprake was van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2805 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 april 2008, 07/3002 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v. te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft met een op 12 maart 2007 gedateerd formulier bij het Uwv een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en daarbij opgegeven dat zij sinds 11 juli 2005 arbeidsongeschikt was.

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is aan appellante bij besluit van 5 juni 2007 met ingang van 9 juli 2007, in aansluiting op de wachttijd van 104 weken, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 5 juni 2007 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist is vastgesteld, omdat zij als gevolg van een haar in 1987 overkomen ongeval in eerdere dienstbetrekkingen al niet naar behoren had gefunctioneerd.

3. Bij besluit van 5 oktober 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij – samengevat – overwogen dat het Uwv in navolging van de bezwaarverzekeringsarts in beginsel mocht afgaan op de door appellante aangegeven aanvang van de arbeidsongeschiktheid, 11 juli 2005. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis had genomen van informatie van de behandelend psychiater L. van Loon en van een expertiserapport van psychiater J. IJsselstein. De door appellante in beroep ingebrachte informatie van de behandelend psychiater en van de huisarts vormde voor de rechtbank geen reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Dat appellante eerder in het kader van de Ziektewet ongeschikt was geacht voor haar werk heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, nu het bij die beoordeling ging om een ander toetsingskader. Het beroep van appellante op een arbeidskundig rapport van 17 juli 2006 over haar functioneren in eerdere dienstbetrekkingen heeft de rechtbank evenmin tot een ander oordeel gebracht, nu dit rapport niet kon gelden als een medisch objectieve onderbouwing voor het standpunt van appellante.

5.1. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Met betrekking tot de vraag wanneer appellante arbeidsongeschikt is geworden, wordt als uitgangspunt genomen de datum die zij in haar aanvraag heeft genoemd. De Raad wijst hierbij op zijn uitspraak van

1 juli 2009, LJN BJ2486.

5.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante per 11 juli 2005 bij het Uwv is ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet en dat haar naar aanleiding hiervan per die datum ziekengeld is toegekend. De stelling van appellante dat zij reeds lang voordien, namelijk voordat zij op 1 juni 2004 een bedrijf startte, waarvan zij tot 1 september 2004 voor 16 uur per week directeur grootaandeelhouder (dga) was, arbeidsongeschikt was vindt naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun in de stukken.

5.3. Blijkens voormeld arbeidskundig rapport van 17 juli 2006 heeft appellante vanaf het begin in voormeld bedrijf niet goed gefunctioneerd en heeft de mede-oprichter van dat bedrijf, haar broer, na enige tijd alles zelf moeten doen. In voormeld rapport is verder uiteengezet dat appellante in eerdere dienstbetrekkingen onvoldoende heeft gefunctioneerd.

De bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal is mede naar aanleiding van deze arbeidskundige rapportage in zijn rapport van 11 augustus 2006 tot de conclusie gekomen dat appellante per 28 april 2006 ongeschikt moest worden geacht voor het administratieve werk dat zij begin december 2003 ongeveer tien dagen had verricht en dat destijds als maatstaf voor de arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet werd gehanteerd. Dat appellante volgens deze bezwaarverzekeringsarts niet heeft kunnen voldoen aan de eisen die in deze functie werden gesteld, impliceert naar het oordeel van de Raad niet dat reeds vóór de ziekmelding van 11 juli 2005 bij appellante een voor het onderhavige geding relevante arbeidsongeschiktheid is ingetreden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat voormelde beoordeling betrekking had op de destijds in geding zijnde datum 28 april 2006 en het ziektegeval van 11 juli 2005 betrof.

5.4. Ook uit de verklaring van 11 oktober 2005 van psychiater Van Loon, bij wie appellante sedert 26 augustus 2004 in behandeling was, en diens brief van 10 april 2006, kan niet met stelligheid worden opgemaakt dat appellante reeds voor de aanvang van haar werk in voormeld bedrijf arbeidsongeschikt was. De verklaring van deze psychiater van 25 oktober 2007 dat appellante al bij de aanvang van haar werk als dga niet in staat was om die arbeid te verrichten c.q. enige arbeid te verrichten, acht de Raad onvoldoende onderbouwd. Dat appellante toen al langere tijd psychische klachten had is immers niet toereikend voor die conclusie. Ook de brief van 26 november 2007 van de huisarts, die appellante voor het eerst in 2005 heeft gezien, bevat geen medische gegevens die erop wijzen dat reeds voor 11 juli 2005 sprake was van arbeidsongeschiktheid.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM