Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
09-948 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak ter zake is overwogen. Ten aanzien van het gestelde rond het medicijngebruik onderschrijft de Raad de reactie van bezwaarverzekeringsarts Admiraal van 27 maart 2009, dat appellant niet heeft onderbouwd om welke medicijnen het gaat, welke dosis het betreft en per welke datum die verhoogd zou zijn. De stelling van appellant inzake het medicijngebruik rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad dan ook niet de conclusie, dat de klachten per datum in geding door het Uwv onderschat zouden zijn. Ook ziet de Raad geen aanleiding de uitleg van bezwaarverzekeringsarts Admiraal over de vraag, op welk moment een uitspraak over de persoonlijkheidsproblematiek kan worden gedaan, niet te volgen. Tenslotte overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen medische gegevens in geding heeft gebracht op grond waarvan twijfel is ontstaan aan de juistheid van de medische beoordeling. De Raad is niet gebleken dat appellant ongeschikt zou zijn voor de maatstaf arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/948 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2008, 08/3946 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat in ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 16 mei 2007 via een uitzendbureau werkzaam als inpakker gedurende 24 uur per week. Per 15 oktober 2007 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten, rug- en hoofdpijnklachten alsmede slaapproblemen. Na onderzoek door verzekeringsarts J.C.M. Hehenkamp is appellant per 9 januari 2008 hersteld verklaard.

1.2. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld, dat hij vanaf 9 januari 2008 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van 9 januari 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal kennis genomen van informatie van de behandelend sector, waaronder een brief van orthopedisch chirurg H. Vermeer van 17 september 2001, een brief van fysiotherapeut B. Haesen, alsmede een brief van de huisarts van 11 juli 2007. Voorts heeft appellant een brief van psychiater Gülsacan van 6 april 2008 in geding gebracht. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts is het bezwaar bij besluit van 22 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft in beroep aangevoerd, dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen. Gevraagd is om een medische expertise.

Bij aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Overwogen is, dat namens appellant geen medische informatie in geding is gebracht die twijfel doet rijzen aan de juistheid van de medische beoordeling. De door psychiater Gülsacan vermelde uitgestelde diagnose op as-II betekent naar de rechtbank bekend is, dat persoonlijkheidsstoornissen pas na verloop van tijd kunnen worden vastgesteld. Ook de omstandigheid dat medicatie in maart 2008 verhoogd is betekent naar het oordeel van de rechtbank niet, dat appellant op grond daarvan per datum in geding niet geschikt zou zijn voor de maatstaf arbeid.

3. In hoger beroep is naast een herhaling van eerder genoemde grieven aangevoerd, dat een verhoging van medicatie per een latere datum wel degelijk betrekking kan hebben op klachten per een eerdere datum. Voorts is de uitleg die de rechtbank aan het begrip uitgestelde diagnose heeft gegeven, bestreden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. De Raad beantwoordt de vraag of appellant per 9 januari 2008 in staat is geweest zijn arbeid als inpakker voor 24 uur per week te verrichten bevestigend.

4.4. De Raad heeft, evenals de rechtbank, in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden dat het medisch onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig zou zijn geweest. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak ter zake is overwogen. Ten aanzien van het gestelde rond het medicijngebruik onderschrijft de Raad de reactie van bezwaarverzekeringsarts Admiraal van 27 maart 2009, dat appellant niet heeft onderbouwd om welke medicijnen het gaat, welke dosis het betreft en per welke datum die verhoogd zou zijn. De stelling van appellant inzake het medicijngebruik rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad dan ook niet de conclusie, dat de klachten per datum in geding door het Uwv onderschat zouden zijn. Ook ziet de Raad geen aanleiding de uitleg van bezwaarverzekeringsarts Admiraal over de vraag, op welk moment een uitspraak over de persoonlijkheidsproblematiek kan worden gedaan, niet te volgen. Tenslotte overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen medische gegevens in geding heeft gebracht op grond waarvan twijfel is ontstaan aan de juistheid van de medische beoordeling.

4.5. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat appellant per 9 januari 2008 ongeschikt zou zijn voor de maatstaf arbeid.

4.6. Hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom, dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

KR