Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
08-5504 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5504 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2008, 08/819 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als orderverzamelaar, toen hij op 31 december 2004 uitviel wegens onder meer schouderklachten na een hem overkomen bedrijfsongeval. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv een medisch en arbeidskundig onderzoek ingesteld. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 29 december 2006 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 januari 2008, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat zijn schouderklachten onvoldoende zijn onderkend. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant informatie van orthopedisch chirurg F.C.E.M. Wijffels en M.P.J. van der List ingebracht. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de functie van bezorger-chauffeur bestelauto (sbc-code 282101) in medisch opzicht ongeschikt is vanwege het bij hem geconstateerde hyperventilatiesyndroom.

4. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellant is op 19 september 2006 geopereerd aan zijn rechterschouder. Vervolgens is hij op 1 mei 2007 door een verzekeringsarts onderzocht, die naar aanleiding van zijn bevindingen en informatie van de behandelende orthopedisch chirurg Wijffels (forse) beperkingen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid heeft aangenomen, welke beperkingen hij heeft neergelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens dossierstudie verricht en de hoorzitting bijgewoond. In haar rapport van 7 december 2007 concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellant geen steun. De door appellant ingebrachte brieven van Wijffels en van Van der List hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad kan zich met betrekking tot de informatie van Wijffels verenigen met het gestelde in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 12 december 2008. De brief van Van der List van 2009 ziet voorts voornamelijk op de op 17 juni 2009 verrichte operatie aan appellantes rechterschouder en bevat onvoldoende aanknopingspunten dat de belastbaarheid althans op de datum in geding is overschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de brief van Wijffels van 23 oktober 2008 vermeldt dat na de operatie in 2006 weliswaar de pijnklachten aan de schouder na enige tijd zijn teruggekomen, maar dat de functie van die schouder zelf goed was en geen neurologische afwijkingen van betekenis gevonden zijn.

5.2. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, reden gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de aan appellant geduide functies in medisch opzicht. De signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv afdoende toegelicht. Met betrekking tot het hyperventilatiesyndroom van appellant in relatie tot de functie van bezorger-chauffeur bestelauto kan de Raad zich verenigen met het gestelde in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 december 2007, dat de hyperventilatie geen reden vormt om appellant ongeschikt te achten voor deze functie, omdat appellant dit voelt aankomen en hiertegen maatregelen kan nemen. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellant wegens zijn hyperventilatiesyndroom in medisch opzicht niet geschikt is voor meergenoemde functie.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) F. Heringa.

IvR