Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
08-3239 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De Raad ziet in hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van de fysiotherapeut H. van Weering van 10 september 2009 onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts weergegeven in de rapportage van 27 oktober 2009. Aangezien appellant geen andere informatie in geding heeft gebracht die zijn standpunt onderbouwt, heeft de Raad ook overigens geen reden om aan de juistheid van het medische oordeel te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3239 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 april 2008, kenmerk 07/961 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 24 september 2008 heeft mr. Bakker bericht niet langer als raadsman van appellant op te treden.

Op 7 juli 2009 heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat in Groningen, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als schoonmaker op basis van tijdelijke contracten, laatstelijk met een gemiddelde omvang van 3,16 uur per week. Op 18 augustus 2006 heeft hij zich ziek gemeld met klachten verband houdende met een hernia en uitvalsverschijnselen aan het rechter been. In verband hiermee is hij op 1 mei 2007 onderzocht door de primaire verzekeringsarts welke hem per 18 augustus 2006 geschikt achtte zijn werkzaamheden als schoonmaker te verrichten. Dienovereenkomstig heeft het Uwv appellant bij besluit van 16 mei 2007 medegedeeld dat hij vanaf 18 augustus 2006 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) krijgt.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 16 mei 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de ZW-uitkering beëindigd per 22 mei 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name betekenis gehecht aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende gemotiveerd is waarom hij geschikt te achten is voor zijn eigen werk. In dat verband heeft hij gesteld dat er geen onderzoek is verricht naar zijn psychische gesteldheid.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad ziet in hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens haar rapportage van 8 augustus 2007 rekening gehouden met de informatie van de revalidatiearts F.C.M. van Nispen van 23 januari 2007 en heeft appellant ook zelf onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens tot de conclusie gekomen dat er sprake is van uitvalsverschijnselen HNP L4/L5 met beïnvloeding van L5 rechts en dat er dus sprake was van een ernstige situatie met nog steeds restverschijnselen. De bezwaarverzekeringsarts was hieromtrent van mening dat appellant op 22 mei 2007 het eigen werk van schoonmaker voor 3,16 uur per week kon verrichten, omdat hij dan het werk niet gedurende meerdere uren per week behoefde te doen. Wat betreft de psychische onrust die door de revalidatiearts was waargenomen heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 25 september 2007 aangegeven dat deze problematiek werken niet onmogelijk maakt. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van de fysiotherapeut H. van Weering van 10 september 2009 onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts weergegeven in de rapportage van 27 oktober 2009. Aangezien appellant geen andere informatie in geding heeft gebracht die zijn standpunt onderbouwt, heeft de Raad ook overigens geen reden om aan de juistheid van het medische oordeel te twijfelen.

5. Hetgeen is overwogen onder 4.2 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

JL