Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
09-1441 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Aangezien de grieven van appellante in hoger beroep een herhaling vormen van hetgeen reeds in bezwaar en beroep werd betoogd, volstaat de Raad er mee te verwijzen naar het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep wederom heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1441 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 februari 2009, 08/828 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 juni 2008 is beëindigd omdat appellante in de maand juni 2008, te weten: op 22 juni 2008, 65 jaar is geworden.

1.2. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 1 september 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. In beroep is door appellante gemotiveerd aangevoerd dat het bestreden besluit onjuist is en dat er sprake is van tegenstrijdigheid in de van toepassing zijnde wetgeving en dat de door het Uwv toegepaste wettelijke bepaling, te weten: artikel 49, eerste lid, van de WAO, ongelijk uitwerkt, al naar gelang de dag in de maand waarop iemand 65 jaar oud wordt. Appellante is van mening dat de WAO-uitkering ten onrechte is beëindigd met ingang van 1 juni 2008 en dat door het Uwv bij haar verwachtingen zijn gewekt dat haar WAO-uitkering in de maand juni 2008 gewoon doorbetaald zou worden tot aan 22 juni 2008, de dag waarop zij 65 jaar oud is geworden.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daartoe het volgende in haar uitspraak overwogen, waarbij voor verweerder het Uwv gelezen dient te worden en voor eiseres appellante:

“Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 49 van de WAO.Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de WAO neemt de arbeidsongeschiktheidsuitkering een einde met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Niet in geschil is dat deze wettekst dwingend is en bepaalt dat de uitkering per de eerste van de maand - juni 2008 - wordt beëindigd. Eiseres heeft aangevoerd deze bepaling niet redelijk te vinden en bovendien in tegenspraak met andere bepalingen in de WAO. Zij stelt zich daarom op het standpunt dat artikel 49 van de WAO buiten toepassing moet blijven. Daarbij heeft zij gewezen op de bepaling in de WAO op grond waarvan zij tot haar 65e jaar - op 22 juni 2008 - voor deze wet is verzekerd en er - in haar optiek - dientengevolge recht op uitkering bestaat tot laatstgenoemde datum, voor zover haar arbeidsongeschiktheid tot die datum voortduurt, hetgeen het geval is geweest.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Nu artikel 49 van de WAO een dwingend rechtelijke bepaling bevat, het ingevolge het bepaalde in artikel 11 van de Wet Algemene bepalingen niet aan de rechter is de innerlijke waarde te beoordelen van enige wettelijke bepaling en de rechtbank zich derhalve niet kan uitlaten over de redelijkheid van de onderhavige bepaling, en voorts niet is gesteld of gebleken dat in deze sprake is van strijd met hogere regelgeving op grond waarvan artikel 49 van de WAO gelet op het bepaalde in de Grondwet buiten toepassing zou moeten blijven, oordeelt de rechtbank dat artikel 49 van de WAO onverkort toepassing dient te vinden.

Dit zou alleen anders kunnen zijn indien er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

In dat kader heeft eiseres betoogd dat verweerder haar niet zou hebben gewaarschuwd dat de WAO-uitkering eerder dan per 22 juni 2008 zou worden beëindigd.Ook in deze grond heeft de rechtbank echter geen aanleiding gevonden om te oordelen dat artikel 49 van de WAO alsnog buiten toepassing moet worden gelaten. Al in verweerders besluit van 17 juni 2004 is immers opgenomen dat de WAO-uitkering uiterlijk per 1 juni 2008 zal worden beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht eiseres er zonder nadere besluitvorming omtrent het tegendeel dan ook niet op vertrouwen dat haar uitkering niettemin zou doorlopen (tot 22 juni 2008).

Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond verklaard moet worden.”

3.1. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, wederom betoogd dat zij (de uitwerking van) artikel 49 van de WAO niet logisch en niet juist acht en leidende tot verschillende effecten en dat zij haar WAO-uitkering wenst doorbetaald te krijgen tot de dag waarop zij 65 jaar is geworden.

3.2. De Raad overweegt als volgt.

3.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Aangezien de grieven van appellante in hoger beroep een herhaling vormen van hetgeen reeds in bezwaar en beroep werd betoogd, volstaat de Raad er mee te verwijzen naar het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep wederom heeft aangevoerd, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

3.4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) R.L. Rijnen.

TM