Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
09-109 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Het verzuimrisico is naar het oordeel van de Raad niet zodanig excessief dat van een werkgever tewerkstelling van betrokkene niet in redelijkheid kan worden verlangd. De Raad concludeert derhalve met de rechtbank dat de voor appellante geduide functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn. De Raad is niet gebleken van beperkingen van mentale of cognitieve aard die beletten dat appellante cursussen of interne opleidingen zou kunnen volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/109 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 december 2008, 08/373

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. J.C. van Beek, werkzaam voor SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het Uwv heeft bij schrijven van 19 oktober 2009 een arbeidskundige rapportage in geding gebracht, waarop namens appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellante is daarbij met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 15 december 1998 arbeidsongeschikt geworden voor haar werk als huishoudelijk medewerkster in verband met recidiverende buikklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 30 november 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 7 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingaande 1 februari 2008 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

4. In hoger beroep heeft appellante aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Appellante heeft daartoe - evenals in bezwaar en in beroep - aangevoerd dat zij ten gevolge van buikwandneuropathie en migraineklachten, en hiermee samenhangende klachten van vermoeidheid, concentratieproblemen en lawaai, zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv. Gelet op haar medicijngebruik heeft appellante het niet juist geacht dat het Uwv haar niet beperkt heeft geacht ten aanzien van ‘persoonlijk risico’. Het Uwv had om diezelfde reden naar de mening van appellante niet de functie ‘medewerker textiel, geen kleding’ mogen duiden voor de schatting, omdat deze functie juist op het aspect ‘persoonlijk risico’ een kenmerkende belasting kent. Met betrekking tot de functies ‘productiemedewerker textiel geen kleding’ en ‘receptionist, baliemedewerker’ heeft appellante gesteld dat zij deze functies niet kan verrichten omdat zij niet voldoet aan het gevraagde opleidingsniveau. Vanwege examenvrees acht appellante zich evenmin in staat de voor enkele functies benodigde interne opleidingen dan wel cursussen te volgen. Voorts heeft appellante gesteld dat zelfs indien moet worden aangenomen dat de geduide functies gelet op hun afzonderlijke belastingpunten berekend zijn voor haar belastbaarheid zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), de totale belasting van die functies buiten haar mogelijkheden valt.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld, overweegt de Raad nog het volgende. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij ten gevolge van de door haar in haar hoger beroepschrift genoemde klachten zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv. De bezwaarverzekeringsarts E. Bloemhof heeft met betrekking tot het medicijngebruik van appellante in verband met buikwandneuropathie (Tramal) aangenomen dat deze aanleiding zou kunnen geven tot een beperkt verhoogd verzuimrisico indien dit samenvalt met het moment van blootstelling aan risicovolle omstandigheden die grote waakzaamheid en oplettendheid vereisen, maar dat gelet op het beperkt gebruik van Tramal - ongeveer één keer per week - een beperking ten aanzien van ‘persoonlijk risico’ niet aan de orde is. Dit belet niet dat, blijkens zijn rapportages van 4 april 2008 en 16 oktober 2008, de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts de voor appellante geduide functies op deze punten op geschiktheid heeft beoordeeld en passend heeft geacht. Coerts heeft hierbij meegewogen dat geen sprake is van blootstelling aan risicovolle omstandigheden bij de uitoefening van de geduide functies en dat een mate van verzuimrisico van circa 20% niet onaanvaardbaar is te achten. Bloemhof beoordeelde voorts dat het met de migraineklachten van appellante gepaard gaande ziekteverzuim beperkt blijft. De Raad kan zich vinden in de hiervoor vermelde standpunten. Het verzuimrisico is naar het oordeel van de Raad niet zodanig excessief dat van een werkgever tewerkstelling van betrokkene niet in redelijkheid kan worden verlangd. De Raad concludeert derhalve met de rechtbank dat de voor appellante geduide functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn.

5.2. De Raad heeft, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij de functies ‘productiemedewerker textiel geen kleding’ en ‘receptionist, baliemedewerker’ niet zou kunnen verrichten vanwege het opleidingsniveau. Het Uwv heeft bij schrijven van 19 oktober 2009 en een bijgevoegde arbeidskundige rapportage van 14 oktober 2009 uiteengezet dat de geduide functies zich maximaal op opleidingsniveau 2 bevinden, hetgeen overeenkomt met VMBO-niveau (en niet met VMBO-eindniveau). Daartoe wordt tevens gerekend enkele jaren MAVO zonder diploma. De Raad kan zich vinden in het standpunt van het Uwv. Nu appellante - naar niet wordt betwist - in ieder geval twee jaar MAVO heeft gevolgd, dient naar het oordeel van de Raad te worden aangenomen dat appellante voldoet aan dat opleidingsniveau, waarvoor is vereist dat betrokkene moet kunnen lezen schijven en rekenen op eindbasisschoolniveau. Voorts is de Raad niet gebleken van beperkingen van mentale of cognitieve aard die beletten dat appellante cursussen of interne opleidingen zou kunnen volgen. De Raad acht tot slot niet aangetoond dat de voor appellante geduide functies gelet op de totaalbelasting daarvan niet passend zijn voor appellante. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de Raad derhalve op een juiste arbeidskundige grondslag.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van

A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

30 december 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C.A. Wit.

TM