Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08-6807 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De Raad is van oordeel dat appellante de wachttijd van 52 weken als bedoeld in artikel 19 van de (WAO) niet heeft vervuld. De Raad laat daarbij meewegen dat zij blijkens het overzicht ziek- en hersteldmeldingen door de bedrijfsarts voor haar werk hersteld is verklaard en volledig heeft hervat. Pas met ingang van 18 november 1997, dat wil zeggen buiten de samentellingstermijn van vier weken, heeft zich een nieuw ziektegeval voorgedaan. Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6807 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 oktober 2008, 07/3744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. Knotter, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Knotter heeft bij schrijven van 9 november 2009 nadere gegevens verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Knotter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante was laatstelijk bij [naam werkgever] werkzaam als [naam functie]). Op 21 december 1996 heeft zij als gevolg van een val van een klimwand haar voet, onderbeen en bekken gebroken.

1.2. Op 31 juli 1997 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op deze aanvraag is pas op 13 april 2007 beslist. Het Uwv heeft de aanvraag afgewezen omdat appellante vanaf 21 december niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 april 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit op bezwaar van 14 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat appellante gezien haar volledige werkhervatting op 13 oktober 1997 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. De omstandigheid dat dit werk niet haar eigen functie betrof maar losse opdrachten die feitelijk onder haar niveau lagen betekent volgens de rechtbank niet dat deze arbeid niet als passend kon worden aangemerkt. Daarbij betrekt de rechtbank de omstandigheid dat [naam werkgever] het salaris van appellante tot aan haar ontslag in juli 2001 heeft doorbetaald. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding van appellante afgewezen omdat artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deze mogelijkheid alleen bij gegrondverklaring van het beroep biedt.

3.1. Namens appellante is in hoger beroep naar voren gebracht dat het WAO-dossier zoals tot stand gekomen en opgemaakt in verband met haar WAO-aanvraag in juli 1997 pas in de beroepsfase weer boven tafel is gekomen. Als gevolg daarvan heeft appellante niet tijdig een besluit op haar aanvraag ontvangen en daardoor is zij geschaad in haar revalidatie en re-integratie, hetgeen haar herstel ernstig heeft belemmerd en waardoor zij tevens psychische klachten heeft ontwikkeld. Appellante heeft vergoeding van (immateriële) schade gevorderd, zowel in verband met het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb als ook in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM).

3.2. Als grond voor het hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank voor de beoordeling of de (destijds geldende) wachttijd van 52 weken was doorlopen, al dan niet door samentelling van periodes van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd door ook hervatting in passend werk gedurende de wachttijd van 52 weken in die periode te betrekken. De omstandigheid dat haar werkgever het salaris volledig heeft doorbetaald is daarbij niet relevant.

3.3. Daarnaast is namens appellante de volledige werkhervatting per 13 oktober 1997 bestreden, omdat zij het werk niet zelfstandig, dat wil zeggen zonder hulp of begeleiding kon verrichten.

4.1. De Raad is van oordeel dat appellante de wachttijd van 52 weken als bedoeld in artikel 19 van de (WAO) niet heeft vervuld. De Raad laat daarbij meewegen dat zij blijkens het overzicht ziek- en hersteldmeldingen, zoals ingediend door de gemachtigde van appellant bij brief van 9 november 2009, ingaande 13 oktober 1997 door de bedrijfsarts voor haar werk hersteld is verklaard en volledig heeft hervat. Gesteld noch gebleken is dat appellante tegen deze ‘hersteldverklaring’ bezwaar heeft gemaakt. Pas met ingang van 18 november 1997, dat wil zeggen buiten de samentellingstermijn van vier weken, heeft zich een nieuw ziektegeval voorgedaan. De Raad voegt daaraan toe dat eventuele twijfel over de juistheid van deze retrospectieve beoordeling voor rekening van appellante blijft nu niet kenbaar is gebleken dat appellante het niet-beslissen van de rechtsvoorgangers van het Uwv op haar in juli 1997 ingediende WAO-aanvraag eerder dan in april 2006 bij het Uwv heeft gemeld.

4.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv zich met verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige J.G.M. Schwartz van 13 november 1997 op het subsidiaire standpunt gesteld dat, voor zover moet worden aangenomen dat appellante de wachttijd van artikel 19 van de WAO wel heeft vervuld, appellante gezien haar feitelijke verdiensten op de dag na einde wachtttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is voor de WAO. De Raad ziet, mede gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en sub h van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Stb. 1997, 801), geen aanknopingspunten om dit standpunt voor onjuist te houden.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Hierin ligt besloten dat ook naar het oordeel van de Raad het verzoek om schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb dient te worden afgewezen.

5. Wat betreft het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM overweegt de Raad het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Raad vangt deze redelijke termijn aan als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Over het algemeen zal dat zijn op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of, in voorkomende gevallen, tegen het uitblijven daarvan. De Raad stelt vast dat tegen het uitblijven van het primaire besluit op de WAO-aanvraag van 31 juli 1997 geen bezwaar is gemaakt en dat vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift, 3 mei 2007, tot de datum van deze uitspraak twee jaar en bijna zeven maanden zijn verstreken. Nu de redelijke termijn in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen dient het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden afgewezen.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM