Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
08-5445 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ten aanzien van de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts met de daarbij gevoegde informatie van de revalidatiearts en de neuroloog, is de Raad van oordeel dat deze niet tot een ander oordeel kan leiden nu deze informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat de door de revalidatiearts gestelde diagnose cervicobrachialgie, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2008 bezien in samenhang met de informatie van de neuroloog J.W.A. Swen van 22 augustus 2007, al bij bezwaarverzekeringsarts Brouwer bekend was. Tevens acht de Raad van belang dat de bevindingen van de neuroloog H.Th.J. Niekus, zoals neergelegd in zijn brief van 7 oktober 2008, de onderzoeksbevindingen van neuroloog Swen bevestigen dat er bij neurologisch onderzoek – waarbij ook een MRI-scan is gemaakt – geen afwijkingen zijn gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5445 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2008, 08/641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Voor appellant is verschenen mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als tuinbouwmedewerker voor 38 uur per week, heeft zich op 2 augustus 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts

S.C. Kromokarijo. Tijdens het laatste spreekuur van 11 september 2007 heeft de verzekeringsarts hem per 12 september 2007 hersteld verklaard voor zijn werk als tuinbouwmedewerker. Bij besluit van 11 september 2007 is aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 12 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.2. Het tegen het besluit van 11 september 2007 gerichte bezwaar van appellant is, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts F.M. Brouwer, bij besluit van 11 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat beide verzekeringsartsen appellant hebben onderzocht, waarbij geen objectiveerbare beperkingen zijn geconstateerd. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts Brouwer bij zijn beoordeling informatie van de behandelend neuroloog betrokken, waaruit blijkt dat geen sprake is van neurologische afwijkingen, zodat deze informatie derhalve geen aanknopingspunten oplevert voor de klachten van appellant. In de rapportage van 7 januari 2008 komt Brouwer tot de conclusie dat er geen medische beperkingen zijn aan te nemen en dat appellant derhalve in staat moet worden geacht zijn arbeid te kunnen verrichten. De bevindingen uit het arbeidskundig onderzoek, zoals weergegeven in de rapportage van 25 maart 2008, zijn voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts Brouwer die hierin geen medische reden aanwezig heeft geacht om af te wijken van zijn conclusie zoals weergegeven in zijn eerder genoemde rapportage. Nu de bevindingen van het arbeidskundig onderzoek overeenkomen met de door appellant ingevulde werkomschrijving ziet de rechtbank geen aanleiding dit oordeel voor onjuist te houden.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ten aanzien van de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts met de daarbij gevoegde informatie van de revalidatiearts en de neuroloog, is de Raad van oordeel dat deze niet tot een ander oordeel kan leiden nu deze informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat de door de revalidatiearts gestelde diagnose cervicobrachialgie, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2008 bezien in samenhang met de informatie van de neuroloog J.W.A. Swen van 22 augustus 2007, al bij bezwaarverzekeringsarts Brouwer bekend was. Tevens acht de Raad van belang dat de bevindingen van de neuroloog H.Th.J. Niekus, zoals neergelegd in zijn brief van 7 oktober 2008, de onderzoeksbevindingen van neuroloog Swen bevestigen dat er bij neurologisch onderzoek – waarbij ook een MRI-scan is gemaakt – geen afwijkingen zijn gevonden.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv het ziekengeld van appellant op juiste gronden met ingang van 12 september 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

IvR