Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08-2080 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2080 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 februari 2008, 07/804 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Vogel, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 mei 2009 heeft mr. N.R.H. Boasman-Trustfull zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2009. Namens appellante is mr. Boasman-Trustfull verschenen. Voor het Uwv is verschenen F. Snatager.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster. Op 21 januari 2000 is zij uitgevallen wegens zwangerschapsgerelateerde klachten, later ontwikkelde zij ook psychische klachten. Aan appellante is in aansluiting op de wettelijke wachttijd met ingang van 19 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door de verzekeringsarts R. Jansen, die in haar rapport van 2 juni 2006 tot de conclusie gekomen is dat er beperkingen zijn ten aanzien van rugbelastende werkzaamheden. Daarnaast acht Jansen appellante beperkt ten aanzien van hoge werkdruk, stressmomenten, conflicthantering, continue tijdsdruk of deadlines en eindverantwoordelijkheid. De beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 juni 2006. Daarna heeft de arbeidsdeskundige J.M. van der Wal na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake meer is van verlies aan verdienvermogen. Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van

12 december 2006 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellante is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De bezwaarverzekeringsarts O.C. van Oostrum heeft appellante gezien tijdens een hoorzitting en na weging van de beschikbare medische gegevens geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper geconcludeerd dat twee van de vier geduide functies dienen te vervallen. Met een theoretische schatting op basis van gewijzigde functieduiding heeft hij het verlies aan verdienvermogen bepaald op 51,9%. In lijn hiermee is bij besluit van 12 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante gegrond verklaard en is de WAO-uitkering per 21 maart 2007 herzien naar de klasse 45 tot 55%.

3. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij in verband met de rugafwijking niet in staat is om onbeperkt te zitten of te lopen en dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Met betrekking tot de psychische beperkingen had nader onderzoek moeten worden verricht. Appellante stelt dat het niet buiten twijfel is dat de psychische klachten in verband staan met de rugklachten en acht een psychiatrisch onderzoek aangewezen.

4.2. De Raad overweegt als volgt.

4.3. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de primaire verzekeringsarts beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van het gebruik van de rug en is uitgegaan van een verminderde psychische belastbaarheid. Bezwaarverzekeringsarts O.C. van Oostrum is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft in zijn rapport van

20 december 2006 voldoende gemotiveerd waarom hij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding zag om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML van 9 juni 2006 bij te stellen. Van Oostrum heeft tijdens de hoorzitting wel de mogelijkheid van een psychiatrische expertise vermeld, doch in de heroverweging heeft de bezwaarverzekeringsarts onder verwijzing naar het beeld zoals gepresenteerd bij de hoorzitting, het psychisch onderzoek van de verzekeringsarts, het redelijk gevulde dagverhaal (zonder duidelijke rustbehoefte overdag) en het feit dat de behandeling van de huisarts, te weten: wel medicatie, maar geen verwijzing naar psycholoog of psychiater, in overeenstemming is met deze bevindingen, geconcludeerd dat de beperkingen passend zijn. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens of argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid.

4.4. In overweging 4.3 ligt tevens besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

4.5. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de uiteindelijk aan de schatting per 22 mei 2007 ten grondslag gelegde functies van medewerker tuinbouw (sbc-code 111010), productiemedewerker metaal (sbc-code 111171) en textielproductenmaker (sbc-code 111160) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante. Met de arbeidskundige rapportage van 21 maart 2007 heeft het Uwv genoegzaam toegelicht dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

4.6. Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.E. van Rooij.

EK