Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08-3701WAO+09-505WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb gesteld zijn waarin het Uwv aanleiding had behoren te vinden om de mate van arbeidsongeschiktheid reeds per 1 maart 1995 te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3701 WAO + 09/505 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam 14 mei 2008, 07/3588

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuw besluit van 19 februari 2009 genomen.

De Raad heeft desgevraagd van beide partijen ontbrekende stukken ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster. Zij heeft zich op 1 november 1985 ziek gemeld vanwege fobische klachten. Met ingang van 4 november 1986 is aan haar een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 maart 1995 herzien en berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Nadien is bij besluit van 2 februari 1996 de mate van arbeidsongeschiktheid per genoemde datum gesteld op 25 tot 35%. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 20 januari 1997, 96/1688, ongegrond verklaard. Appellante heeft in deze uitspraak berust.

1.2. In 2006 is het Uwv gestart met een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante naar aanleiding van een door haar daartoe ingediend verzoek. Naar aanleiding van dat verzoek heeft het Uwv op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 16 maart 2007 de WAO-uitkering van appellante met terugwerkende kracht ingaande 29 mei 2005 toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij zij heeft gesteld, mede gelet op de expertise door psychiater R. Winter van 11 februari 2007 die door het Uwv aan het besluit van 16 maart 2007 ten grondslag is gelegd, het gerechtvaardigd te vinden dat wordt teruggekomen van de herziening per 1 maart 1995.

1.4. Tijdens de bezwaarschriftprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar gerapporteerd dat er medisch geen aanleiding is om aan te nemen dat de mate van arbeidsongeschiktheid al vanaf 1 maart 1995 is toegenomen. Bij besluit van 21 augustus 2007 (besluit 1) heeft het Uwv, gelet op zijn rapport, appellantes bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat appellante tegen besluit 1 heeft ingesteld gegrond verklaard, het besluit 1 vernietigd maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat er onvoldoende aanleiding is om het door het Uwv ingenomen standpunt voor onjuist te houden. De rechtbank achtte niettemin reden voor gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van besluit 1 aanwezig, omdat bij dit besluit (wel impliciet maar) niet expliciet was beslist op het verzoek van appellante om terug te komen van de herziening van de WAO-uitkering per 1 maart 1995.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld zich niet te kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak, omdat daarin is vastgelegd dat het Uwv haar belastbaarheid juist zou hebben vastgesteld. Appellante heeft erop gewezen dat zij lijdt aan een paniekstoornis die al bestond in 1995, maar toen niet is onderkend. Zij meent dat haar daaruit voortvloeiende klachten, zoals een verlaagd energieniveau, destijds door het Uwv over het hoofd zijn gezien. Het Uwv ging er destijds namelijk vanuit dat zij uitsluitend leed aan agorafobie (zonder paniekstoornis).

4. Het Uwv is van opvatting dat het medische oordeel, dat ten grondslag ligt aan besluit 1, juist is. Het Uwv heeft voorts, gelet op de aangevallen uitspraak, het bezwaar van appellante tegen het niet terugkomen van de herziening per 1 maart 1995 alsnog expliciet ongegrond verklaard bij het besluit van 19 februari 2009 (besluit 2). Hierin is vermeld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die maken dat teruggekomen moet worden van de herbeoordeling per 1 maart 1995.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad zal het hoger beroep mede gericht achten tegen besluit 2, waarin ten opzichte van besluit 1 een verbeterde (expliciete) motivering van de (impliciete) afwijzing is gegeven, die niet aan het bezwaar respectievelijk beroep van appellante tegemoet komt.

5.2. Bij een aanvraag om terug te komen van een eerder besluit, zoals door appellante is gedaan, dient ingevolge artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. In verband daarmee dient de Raad de vraag te beantwoorden of door appellante dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld.

5.3. Appellante heeft als zodanig de pas recentelijk gestelde diagnose ‘paniekstoornis’ genoemd en de daaruit voortvloeiende klachten welke nu pas objectief-medisch verklaarbaar zijn. De Raad overweegt dienaangaande dat primair verzekeringarts E. Krijt naar aanleiding van het verzoek van appellante een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de psychische klachten zoals deze zich vanaf 1995 hebben ontwikkeld.

Op zijn spreekuur in december 2006 heeft appellante verteld dat haar klachten vanaf april/mei 2005 fors zijn toegenomen. Krijt heeft voorts de medische beoordeling die ten grondslag is gelegd aan de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1995 bestudeerd en informatie van de RIAGG (uit juli en september 2005) en van haar huisarts (uit januari 2007) in aanmerking genomen. Tevens heeft hij psychiater Winter verzocht om appellante te onderzoeken, waarbij hij hem onder andere een eerder over appellante uitgebrachte expertise uit 1994 heeft toegezonden. Psychiater Winter heeft in februari 2007 aan Krijt rapport uitgebracht. Krijt is vervolgens op grond van alle hem beschikbare informatie tot de slotsom gekomen dat sprake is van een paniekstoornis met agorafobie die twintig jaar geleden is ontstaan en welke sindsdien in ernst steeds verder is toegenomen. Verder heeft hij vastgesteld dat appellante tot mei 2005 heeft gewerkt en dat (pas) toen, ook volgens de informatie van haar behandelaars en Winter, een wezenlijke terugval in haar functioneren heeft plaatsgehad. Om deze reden heeft hij aangenomen dat er vanaf 1 mei 2005 een relevante toename van arbeidsbeperkingen heeft plaatsgehad. De Raad overweegt verder dat in de bezwaar- en beroepsfase de bezwaarverzekeringsarts Ramautar daarna heeft gemotiveerd waarom hij niet de overtuiging heeft gekregen dat appellantes functioneren, zowel kijkend naar de datum van 1 maart 1995, als naar de datum van 1 mei 2005, door Krijt onjuist is ingeschat.

5.4. De Raad oordeelt, gelet op de rapporten van Krijt en Ramautar, dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb gesteld zijn waarin het Uwv aanleiding had behoren te vinden om de mate van arbeidsongeschiktheid reeds per 1 maart 1995 te herzien. De thans gestelde diagnose kan niet als zodanig worden aangemerkt. Uit de medische stukken blijkt namelijk dat al bij de vaststelling van appellantes belastbaarheid per 1 maart 1995 zowel bij de voorganger van het Uwv, als bij de rechtbank in beroep bekend was dat bij haar paniekaanvallen voorkwamen. De Raad wijst daartoe onder andere op de anamnese van psychiater G.M.M.L. Frijns in diens rapport van 23 juli 1996. Dat de paniekaanvallen niet expliciet zijn verwerkt in de destijds gestelde diagnose is in een dergelijke situatie niet van doorslaggevend betekenis. Voor wat betreft het rapport van psychiater Winter volstaat de Raad ermee op te merken dat het hier vooral een andere inschatting van de ernst van de destijds door het Uwv aangenomen beperkingen betreft, hetgeen niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb is aan te merken.

5.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv in redelijkheid het verzoek van appellante om terug te komen van de beoordeling per 1 maart 1995 heeft kunnen afwijzen.

5.6. Gezien het voorgaande, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd voor zover door appellante aangevochten en zal het beroep van appellante tegen besluit 2 ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2009 (besluit 2) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) F. Heringa.

TM