Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08-479 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Gelet op de aard en de duur van de klachten in combinatie met de psychische klachten vormt een bevestiging van het oordeel dat appellante geschikt kan worden geacht voor haar, fysiek niet belastend, werk als inpakster voor 16 uur per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/479 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 december 2007, 07/1675

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 11 november 2009, alwaar partijen, met voorafgaande kennisgeving, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als inpakster voor 16 uur per week, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 7 maart 2007 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts I.I. Rijpstra van

23 maart 2007. Deze arts heeft, na onderzoek van appellante en beoordeling van de ontvangen informatie van de huisarts, geconcludeerd dat appellante met ingang van 2 april 2007 weer geschikt is te achten voor haar laatst verrichte arbeid. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 2 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 30 maart 2007 gerichte bezwaar van appellante is, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, bij besluit van 25 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken bezwaarverzekeringsarts.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts Rijpstra en de bezwaarverzekeringsarts Admiraal niet voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij tekent de Raad aan dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en bij de beoordeling de informatie van de huisarts – waaruit blijkt dat sprake is van voetklachten (hielspoor) – heeft meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens dossieronderzoek verricht en appellante op het spreekuur van 23 mei 2007 lichamelijk en psychisch onderzocht, waarbij deze tot de conclusie is gekomen dat sprake is van lang bestaande klachten aan de rechterarm, -schouder en hand op basis van cervicobrachialgie en een carpaal tunnel syndroom (CTS). Tevens is sprake van hielspoor aan beide voeten. Met deze klachten – die niet ernstig zijn en bij eigen onderzoek nauwelijks kunnen worden geobjectiveerd – wordt appellante in staat geacht haar eigen werk van inpakster, dat fysiek licht is en vele vrijheidsgraden kent, te verrichten, aldus Admiraal. Zoals is aangegeven in de rapportage van Admiraal van 28 september 2007, blijkt uit de in beroep overgelegde informatie van de huisarts en de orthopaedisch chirurg, dat de pijnklachten in de rechterpols en de rechterschouder eerst na de datum in geding zijn ontstaan, waarbij de bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt dat de pijn in beide schouders – door appellante op de hoorzitting van 23 mei 2007 gemeld – niet bij het lichamelijk onderzoek konden worden geobjectiveerd. De klachten ten gevolge van hielspoor geven juist bij lopen hinder. Nu de laatst verrichte werkzaamheden van appellante zittend werden uitgevoerd, moet zij in staat worden geacht dit werk te verrichten, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts van 10 oktober 2008 en 30 september 2009 is de Raad van oordeel dat deze onvoldoende aanknopingspunten bevat voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij tekent de Raad aan dat de bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy, gelet op de rapportages van 29 oktober 2008 en 21 oktober 2009, naar het oordeel van de Raad genoegzaam heeft gemotiveerd dat bij appellante sprake is van aspecifieke handklachten en dat de door de huisarts geopperde diagnose fibromyalgie

– gelet op de aard en de duur van de klachten in combinatie met de psychische klachten – een bevestiging vormt van het oordeel dat appellante geschikt kan worden geacht voor haar, fysiek niet belastend, werk als inpakster voor 16 uur per week.

4. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 2 april 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

EK