Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08-2148 WWB + 08-2149 WWB + 08-2150 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Terugvordering van de openstaande saldi van de bedrijfskredieten uit 1993 en 1996 en de daarover verschuldigde rente. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de precaire situatie waarin zijn bedrijf zich bevindt en de voorgeschiedenis tussen appellant en de gemeente Breda ziet de Raad geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. 2) Afwijzing verzoek om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal om acquisitiewerkzaamheden te bekostigen. Deze afwijzing berust op ondeugdelijke motivering. 3) Terugvordering verleende voorschotten algemene bijstand. Bevoegdheid tot terugvordering staat vast. Geen omstandigheden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2148 WWB

08/2149 WWB

08/2150 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 maart 2008, 07/2093, 07/2094, 07/2376 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 22 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Bladel, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Bladel. De Commissie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Met betrekking tot zaak 08/2149.

1.1.1. Appellant exploiteert sedert 14 juni 1983 een eenmanszaak. Het betreft een textieldrukkerij met de naam [naam bedrijf].

1.1.2. Bij besluit van 19 augustus 1993 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: College) op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ) aan appellant een bedrijfskrediet verleend ter hoogte van fl 105.000,-- tegen een jaarlijkse rente van 8%. De lening dient met ingang van 1 december 1993 in maandelijkse termijnen van fl 875,-- te worden afgelost. Appellant heeft in de periode van december 1993 tot en met maart 1994 in vier termijnen een bedrag van in totaal fl 3.500,-- afgelost. Van het saldo van het bedrijfskrediet van fl 101.500,-- is bij besluit van 31 januari 1995 een bedrag van fl 15.296,16 met toepassing van artikel 12 van het BZ omgezet in bijstand om niet. Van het nieuwe saldo van het bedrijfskrediet van

fl 86.230,84 is bij besluit van 13 februari 1996 een bedrag van fl 46.230,84 omgezet in bijstand om niet, zodat het nieuwe saldo van het krediet fl 40.000,-- (€ 18.151,21) beliep. Bij dat besluit is voorts de tot dat moment verschuldigde rente omgezet in bijstand om niet.

1.1.3. Bij besluit van 20 maart 1996 heeft het College op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) aan appellant een bedrijfskrediet van fl 46.000,-- (€ 20.873,89) toegekend tegen een jaarlijkse rente van 6%. Daarbij is appellant meegedeeld dat het totaal openstaande krediet van fl 86.000,-- (€ 39.025,10) dient te worden afbetaald in maandelijkse termijnen van fl 1.433,-- en dat de eerste termijn uiterlijk op 1 oktober 1996 dient te zijn voldaan.

1.1.4. Appellant heeft bij brief van 27 juni 2006 de Commissie verzocht om kwijtschelding van openstaande vorderingen door omzetting daarvan in bijstand om niet. Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft de Commissie met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Bbz van het in 1996 verleende bedrijfskrediet een bedrag van € 13.460,21 (fl 29.662,40) omgezet in bijstand om niet. De Commissie heeft daarbij overwogen dat bij de omzetting is uitgegaan van het boekjaar 1995 omdat dit voor appellant het gunstigst is. Voorts heeft de Commissie besloten om met toepassing van artikel 8, tweede lid, van het Bbz de ten aanzien van het krediet uit 1996 verschuldigde rente over 1997 wel en die over 1998 niet kwijt te schelden. Ten slotte heeft de Commissie bij het besluit van 11 augustus 2006 met toepassing van artikel 5, eerste lid, van het BZ en artikel 21, vijfde lid, van het Bbz de openstaande saldi van de bedrijfskredieten uit 1993 en 1996 van in totaal € 31.611,42 en de daarover verschuldigde rente tot 1 augustus 2006 ter hoogte van € 21.412,87 van appellant teruggevorderd.

1.1.5. Bij besluit van 20 maart 2007 (hierna: besluit 1) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2006 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de terugvordering niet langer artikel 5, eerste lid, van het BZ, maar artikel 5, eerste lid, van de op grond van artikel 14 van het BZ getroffen Beschikking van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 1986 nr. 86/U-7816, Stcrt. 1986, 220 moet zijn. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.2. Met betrekking tot zaak 08/2150.

1.2.1. Appellant heeft bij brief van 23 mei 2006 de Commissie verzocht om verlening van algemene bijstand met toepassing van artikel 25 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) met ingang van 1 juli 2005. Tevens heeft hij verzocht om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal met toepassing van artikel 26 van het Bbz 2004. Hij heeft daarbij aangegeven dat de bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal zal worden aangewend om acquisitiewerkzaamheden te bekostigen welke kosten hij blijkens een bij de aanvraag gevoegd ondernemingsplan 2006 begroot op € 6.000,--.

1.2.2. De Commissie heeft vervolgens advies ingewonnen bij Friedeberg Consultancy B.V. (hierna: FCBV). Op 14 augustus 2006 heeft FCBV de Commissie geadviseerd de aanvraag van 23 mei 2006 af te wijzen. Bij besluit van 20 september 2006 heeft de Commissie het advies gevolgd en de aanvraag afgewezen.

1.2.3. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 20 september 2006 gemaakte bezwaar heeft de Commissie FCBV om een reactie gevraagd. FCBV heeft op 3 januari 2007 gereageerd en blijft bij zijn advies de aanvraag van 23 mei 2006 af te wijzen. Naar aanleiding van het verhandelde ter hoorzitting van 13 februari 2007 en de daar overgelegde stukken heeft de Commissie FCBV wederom om een reactie gevraagd. FCBV heeft op 4 april 2007 gereageerd en zijn conclusie gehandhaafd. Vervolgens heeft de Commissie bij besluit van 10 mei 2007 (hierna: besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2006 ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.3. Met betrekking tot zaak 08/2148.

1.3.1. Bij de reeds onder 1.2.1 genoemde brief van 23 mei 2006 heeft appellant verzocht om voorschotten op de door hem gevraagde algemene bijstand.

1.3.2. Bij besluiten van 15 juni 2006, 12 juli 2006 en 15 augustus 2006 heeft de Commissie appellant met toepassing van artikel 52 van de Wet werk en bijstand (WWB) voorschotten levensonderhoud verleend over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 augustus 2006 tot een bedrag van in totaal € 2.400,--.

1.3.3. Bij besluit van 21 september 2006 heeft de Commissie - onder verwijzing naar de in overweging 1.2.2 genoemde afwijzing van de aanvraag om algemene bijstand - met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB de aan appellant verleende voorschotten tot een bedrag van € 2.400,-- van hem teruggevorderd.

1.3.4. Bij besluit van 20 maart 2007 (hierna: besluit 3) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft verwezen naar de in bezwaar en beroep ingebrachte gronden.

4. De Raad komt met betrekking tot zaak 08/2149 tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald hetgeen hij reeds in beroep tegen besluit 1 en in bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2006 heeft aangevoerd. Dat komt er op neer dat de Commissie het bedrag van de openstaande vorderingen niet correct heeft berekend en de wettelijke bepalingen inzake de omzetting van leenbijstand niet juist heeft toegepast. Volgens appellant zouden de openstaande vorderingen bij een correcte berekening daarvan en bij een juiste toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de omzetting van leenbijstand geheel kunnen worden kwijtgescholden. De Raad is van oordeel dat de Commissie bij besluit 1 afdoende op de bezwaren van appellant is ingegaan. In hetgeen in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding anders te oordelen. De Raad merkt in dit verband nog op dat de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Bbz heeft verzuimd aan appellant de keuze te laten of bij de omzetting van het in 1996 verleende bedrijfskrediet moet worden uitgegaan van boekjaar 1995 of boekjaar 1996. Dit levert echter geen grond op voor vernietiging van besluit 1 aangezien appellant daardoor niet in zijn belangen is geschaad. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant het standpunt van de Commissie dat de keuze voor het boekjaar 1995 voor hem het gunstigst uitpakt niet heeft weersproken.

4.2. Met betrekking tot de terugvordering merkt de Raad op dat de Commissie ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 5, eerste lid, van de reeds genoemde Beschikking van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 1986 en artikel 21, vijfde lid, van het Bbz. Naar het oordeel van de Raad vormt sinds 1 januari 2004 artikel 41, vijfde lid, van het Bbz 2004 de grondslag voor terugvordering in gevallen als het onderhavige ook als het gaat om leenbijstand die is toegekend op grond van bepalingen van het BZ en het Bbz. Dat betekent echter niet dat besluit 1 voor vernietiging in aanmerking komt aangezien de betreffende bepalingen dezelfde (gebonden) bevoegdheid bevatten en voorts wat de tekst betreft, voor zover hier van belang, in essentie gelijkluidend zijn.

4.3. In artikel 41, vijfde lid, van het Bbz 2004 is bepaald dat indien blijkt dat de zelfstandige duurzaam niet aan de verplichtingen kan voldoen of, indien de periode van drie jaar bedoeld in het derde lid, is verstreken, de lening en de eventuele achterstallige lening terstond opeisbaar zijn en deze worden teruggevorderd. Ingevolge artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.4. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd bevestigd dat hij, afgezien van in overweging 1.1.2 genoemde aflossingen, in de periode van december 1993 tot en met maart 1994 geen aflossingen op de hier aan de orde zijnde leningen heeft verricht en dat hij sedert medio 1997 steeds uitstel van betaling heeft gekregen. Dat betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 41, vijfde lid, van het Bbz 2004 is voldaan zodat de betreffende leningen en de achterstallige rente terstond opeisbaar zijn en de Commissie gehouden is deze terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de precaire situatie waarin zijn bedrijf zich bevindt en de voorgeschiedenis tussen appellant en de gemeente Breda ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen komt de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op besluit 1, met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad komt met betrekking tot zaak 08/2150 tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant een zelfstandige is van ten minste 55 jaar wiens bedrijf niet levensvatbaar is en die het bedrijf gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dat betekent dat appellant een zelfstandige als is bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Bbz 2004.

5.2.1. De aanvraag om algemene bijstand met toepassing van artikel 25 Bbz 2004.

5.2.2. Ingevolge artikel 25 van het Bbz 2004, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, algemene bijstand verleend voor de duur dat hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep naar verwachting een bruto inkomen zal behalen dat gemiddeld minstens € 6.616,-- per boekjaar bedraagt.

5.2.3. De Commissie heeft aan de afwijzing van de aanvraag om algemene bijstand met ingang van 1 juli 2005 ten grondslag gelegd dat de verwachting bestaat dat appellant uit zijn bedrijf de eerstkomende jaren een bruto inkomen zal behalen dat gemiddeld lager is dan € 6.616,-- per boekjaar. Dit standpunt heeft de Commissie gebaseerd op het advies van FCBV van 14 augustus 2006 en de door FCBV naar aanleiding van het bezwaarschrift en het verhandelde ter hoorzitting gegeven reacties van 3 januari 2007 en 4 april 2007. Naar vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als FCBV. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de rapportages van het FCBV op het punt van de winstverwachting over de periode vanaf 1 juli 2005 op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, feitelijke onjuistheden bevatten of ondeugdelijk zijn gemotiveerd en verwijst naar de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust.

5.2.4. Hetgeen in 5.2.3 is overwogen betekent dat de Commissie de aanvraag om verlening van algemene bijstand met toepassing van artikel 25 van het Bbz 2004 met ingang van 1 juli 2005 terecht heeft afgewezen.

5.3.1. De aanvraag om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 26 Bbz 2004.

5.3.2. In artikel 26 van het Bbz 2004, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, slechts wordt verleend tot ten hoogste € 8.329,--.

5.3.3. De Commissie heeft aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand ter voorziening in behoefte aan bedrijfskapitaal ten grondslag gelegd dat het bedrag dat appellant nodig heeft om zijn bedrijf weer levensvatbaar te maken hoger is dan de € 8.329,-- die maximaal voor dat doel mag worden besteed. De Commissie heeft in dat verband overwogen dat de kredietbehoefte van appellant minimaal € 20.100,-- bedraagt. De Raad begrijpt het standpunt van de Commissie aldus dat op grond van artikel 26 van het Bbz 2004 geen bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan worden verstrekt indien het bedrijfskapitaal dat de belanghebbende nodig heeft om zijn bedrijf levensvatbaar te maken het in dat artikel gestelde maximumbedrag overschrijdt. De Raad is van oordeel dat artikel 26 van het Bbz deze voorwaarde niet stelt.

5.3.4. Gelet op hetgeen in 5.3.3 is overwogen, berust het besluit 2 voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal op een ondeugdelijke motivering. Dat besluit komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

5.4.1. De rechtbank heeft hetgeen onder 5.3.4 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op besluit 2, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal en het College opdragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5.4.2. Met het oog op het nieuwe besluit op bezwaar overweegt de Raad onder verwijzing naar 1.2.1 dat appellant heeft verzocht om bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 6.000,--. Dit bedrag blijft onder het in artikel 26 van het Bbz 2004 genoemde maximum. De Raad stelt verder vast dat in artikel 26 van het Bbz 2004 geen nadere voorwaarden worden gesteld aan de verlening van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen als appellant. Dat betekent dat de Commissie op grond van artikel 26 van het Bbz 2004 bevoegd is aan appellant de gevraagde bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal te verlenen. De Commissie zal bij de beantwoording van de vraag of zij van die bevoegdheid gebruik maakt een belangenafweging dienen te maken.

6. De Raad komt met betrekking tot zaak 08/2148 tot de volgende beoordeling.

6.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB kan het college dat de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 van de WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

6.2. Gelet op hetgeen in 1.3.2 is overwogen staat vast dat aan appellant hangende de behandeling van de aanvraag om algemene bijstand met toepassing van artikel 25 van het Bbz 2004 van 23 mei 2006 bij wijze van voorschot bijstand verleend. Zoals onder 5.2.4 is overwogen, heeft de Commissie deze aanvraag terecht afgewezen. Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB, zodat de Commissie bevoegd is tot terugvordering van de voorschotten over te gaan.

6.3. De Raad stelt vast dat de Commissie ter zake van de terugvordering heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de Commissie met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

6.4. Gelet op hetgeen onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen komt de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op besluit 3, voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad ziet aanleiding de Commissie in zaak 08/2150 te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op besluit 2;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;

Vernietigt besluit 2 voor zover dat besluit ziet op de afwijzing van de aanvraag om bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal;

Bepaalt dat de Commissie met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Commissie in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--.

Bepaalt dat de Commissie aan appellant het beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2009.

(get.) N.J. van Vulpen.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

mm