Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
04-01-2010
Zaaknummer
07-5829 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Het komt de Raad aannemelijk voor dat hij in deze zaak juist is voorgelicht over de toepassing die het Uwv geeft aan zijn beleid. De Raad stelt vast dat het Uwv het beleid in het geval van appellante juist heeft toegepast. Er is niet voldaan aan de voorwaarde die wordt gesteld aan de inkomsten uit arbeid van één van de ouders of verzorgers. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar vader vóór 24 maart 2000 ten minste drie jaar aaneengesloten inkomsten uit arbeid heeft genoten. Dat leidt tot de conclusie dat de blijvende gehele weigering van een Wajong-uitkering aan appellante terecht is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/62
USZ 2010/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5829 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2007, 07/639

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Voor appellante is mr. Tilburg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Bij brieven van 5 maart 2009 hebben partijen gegevens ingezonden.

Bij brief van 3 juli 2009 heeft het Uwv geantwoord op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 24 juli 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv liet zich opnieuw vertegenwoordigen door mr. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in Marokko op [in] 1988, is op 24 maart 2000 in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. In februari 2006 heeft zij verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 4 september 2006 vastgesteld dat appellante door een ontwikkelingsachterstand sinds haar vroege jeugd beperkt is in haar functionele mogelijkheden. Bij arbeidskundig onderzoek is zij aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wajong.

1.3. Bij besluit van 12 september 2006 heeft het Uwv appellante een Wajong-uitkering blijvend en geheel geweigerd omdat zij bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 19 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit). Daarbij heeft het Uwv het volgende overwogen. Appellante was bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar nog geen zes jaar ingezetene van Nederland. In die situatie mag het Uwv gebruik maken van de in artikel 10, eerste lid, van de Wajong neergelegde bevoegdheid om de op de datum van aanvang van de verzekering bestaande arbeidsongeschiktheid blijvend en geheel buiten aanmerking te laten. Van die bevoegdheid wordt in het geval van een jonggehandicapte die zich in het kader van gezinshereniging in Nederland heeft gevestigd geen gebruik gemaakt als wordt voldaan aan een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de ouder of verzorger van de jonggehandicapte ten minste drie jaar aaneengesloten inkomsten uit arbeid heeft genoten en kinderbijslag heeft ontvangen. Aan die voorwaarden voldeed de vader van appellante volgens het bestreden besluit niet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in redelijkheid kunnen besluiten dat appellante niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het standpunt gehandhaafd dat zij op grond van het uitzonderingsbeleid van het Uwv recht op uitkering heeft vanaf de dag dat zij zes jaar ingezetene is. Zij heeft een brief ingebracht van de Sociale Verzekeringsbank waaruit blijkt dat haar vader dan wel haar verzorger voor haar kinderbijslag heeft ontvangen vanaf het eerste kwartaal van 1997 tot en met het tweede kwartaal van 2006.

3.2. Het Uwv heeft betoogd dat het bestreden besluit niettemin kan worden gehandhaafd omdat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden van het uitzonderingsbeleid. Volgens de gegevens van het Uwv heeft de vader van appellante voorafgaande aan de dag waarop appellante zich in Nederland vestigde slechts gewerkt van 2 maart 1998 tot 6 maart 1998, van 8 juni 1998 tot 12 juni 1998 en van 1 juli 1998 tot 31 maart 1999.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Op grond van artikel 10, eerste lid en onder a, van de Wajong kan het Uwv gehele arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laten die bestond op de dag dat een persoon ingezetene werd. Het beleid, dat het Uwv voert bij hantering van de gegeven discretionaire bevoegdheid is vastgesteld met de Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid van 1 juni 2004, Stcrt. 2004, 115 (hierna: de Beleidsregels). In geding is de vraag of in het geval van appellante is voldaan aan de in het beleid van het Uwv neergelegde voorwaarden om toch uitkering te kunnen verstrekken.

4.2. De in het in 4.1 vermelde beleid opgenomen voorwaarde dat één van de ouders of verzorgers van de jonggehandicapte ten minste drie jaar aaneengesloten in Nederland inkomsten uit arbeid heeft genoten staat in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels. Op de zitting van de Raad van 20 februari 2009 is de vraag opgeworpen of de voorwaarde van drie jaar aaneengesloten werken moet zijn vervuld op de dag van vestiging van de jonggehandicapte in Nederland, zoals het uitgangspunt is geweest bij het bestreden besluit, of dat evenzeer aan de voorwaarde is voldaan als tussen de dag waarop de vader van appellante zich in Nederland vestigde en de dag die vooraf ging aan de zeventiende verjaardag van appellante een periode van drie jaar aaneengesloten werken van haar vader valt aan te wijzen. Als het beleid van het Uwv op deze laatste, in een uitspraak van de Raad van 7 januari 2009 (LJN BH0088) tot uitgangspunt genomen, wijze wordt uitgelegd biedt een zich bij de gedingstukken bevindend overzicht van het arbeidsverleden van de vader van appellante aanknopingspunten om te veronderstellen dat met een dienstverband van 1 juli 1998 tot 8 januari 2002 wel aan de voorwaarde van ten minste drie jaar aangesloten werken wordt voldaan.

4.3. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad op 20 februari 2009 gesteld dat hij zijn beleid steeds zo heeft toegepast dat de in 4.2 bedoelde periode van drie jaar is volgemaakt op de dag van vestiging van de jonggehandicapte in Nederland. Van een wijziging van zijn beleid is geen sprake geweest. In zijn brief van 5 maart 2009 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat zijn vertegenwoordiger in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van7 januari 2009 een foutieve uitleg van het beleid heeft gegeven. In de brief van 3 juli 2009 heeft het Uwv nader uiteengezet dat met de Beleidsregels geen wijziging is aangebracht in het al langer gehanteerde beleid met betrekking tot het buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid van een jonggehandicapte die zich in het kader van gezinshereniging bij een in Nederland wonende ouder voegt.

4.4. Op de zitting van de Raad van 24 juli 2009 heeft het Uwv er op gewezen dat het vierde lid van artikel 3 van de Beleidsregels ziet op de toepassing van onderdeel a van het tweede lid van dat artikel en in dat artikellid betekenis wordt toegekend aan de datum waarop de jonggehandicapte zich in Nederland heeft gevestigd. Bij de opbouw van de tekst van de Beleidsregels past volgens het Uwv geen andere uitleg dan dat als referteperiode geldt de periode van drie jaar voorafgaande aan de datum van vestiging van de jonggehandicapte in Nederland. De bestendige praktijk van het Uwv is met deze uitleg in overeenstemming.

4.5. De Raad heeft in vaste jurisprudentie blijk gegeven van het oordeel dat het eerder in het kader van artikel 21 van de voormalige Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ontwikkelde en nadien in het kader van artikel 10 van de Wajong voortgezette beleid van het Uwv, waarvan de ter discussie staande voorwaarde deel uitmaakt, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Zoals de Raad heeft verwoord in zijn uitspraak van 12 mei 2006 (LJN AX2006) ligt het voorts in de rede de voorwaarden van het uitzonderingsbeleid als neergelegd in artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de Beleidsregels restrictief uit te leggen.

4.6. Zoals blijkt uit de artikelsgewijze toelichting hebben de aanvullende voorwaarden van artikel 3, derde tot en met vijfde lid, van de Beleidsregels betrekking op de binding die de jonggehandicapte en het gezin waarvan hij deel uitmaakt met Nederland hebben. Naar het oordeel van de Raad past het bij een restrictieve uitleg van de voorwaarden van het uitzonderingsbeleid – mede gelet op de strekking daarvan – om te verlangen dat de jonggehandicapte deel gaat uitmaken van een gezin dat op dat moment al een zekere binding heeft met Nederland. Dat betekent dat van deelname aan het arbeidsproces van één van de ouders of verzorgers en van daarmee verworven inkomsten – waarmee in combinatie met de ontvangen kinderbijslag in het levensonderhoud van de jonggehandicapte zal worden voorzien – sprake moet zijn op het moment van de vestiging van de jonggehandicapte in Nederland.

4.7. Het komt de Raad aannemelijk voor dat hij in deze zaak, anders dan op grond van overweging 4.3 moet worden aangenomen in de zaak waarin de Raad op 7 januari 2009 uitspraak heeft gedaan, juist is voorgelicht over de toepassing die het Uwv geeft aan zijn beleid. De uitleg van zijn beleid namens het Uwv ter zitting van de Raad, waarvan de uitspraak van 7 januari 2009 het gevolg was, volgt de Raad dus niet. Het beleid, zoals de Raad dat op grond van de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 uitlegt, is niet onredelijk.

4.8. De Raad stelt vast dat het Uwv dit beleid in het geval van appellante juist heeft toegepast. Er is niet voldaan aan de voorwaarde die wordt gesteld aan de inkomsten uit arbeid van één van de ouders of verzorgers. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar vader vóór 24 maart 2000 ten minste drie jaar aaneengesloten inkomsten uit arbeid heeft genoten. Dat leidt tot de conclusie dat de blijvende gehele weigering van een Wajong-uitkering aan appellante terecht is.

4.9. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2009.

(get.) C.W.J. Schoor

(get.) A.E. van Rooij

EF