Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
08-2245WAO+08-2247WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO- en WAZ-uitkeringen wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Geen dringende reden om af te zien van de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2245 WAO en 08/2247 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 maart 2008, 07/2557 en 07/2558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinsitituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gronden van het hoger beroep zijn namens appellant door zijn gemachtigde

P. Bleeker, wonende Zaandam, aangevuld bij schrijven van 9 september 2009.

De Raad heeft deze zaken gevoegd behandeld met de zaak 07/6680 WAO. Het onderzoek ter zitting van deze gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 25 september 2009.

Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

Ten behoeve van de uitspraak heeft de Raad de behandeling van de zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 1962 in loondienst gewerkt als P&O-functionaris en managementadviseur. Vanaf 1990 tot 1 januari 2004 is hij als zelfstandig P&O-adviseur werkzaam geweest. Met ingang van 1 maart 1994 is appellant opgenomen in de vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Op 11 mei 1998 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Bij besluiten van 22 en 26 juli 1999 heeft een rechtsvoorganger van het Uwv appellant met ingang van

10 mei 1999 uitkeringen ingevolge de WAO en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 5 april 2005 zijn de WAO- en WAZ-uitkeringen beëindigd met ingang van augustus 2005, de maand, waarin appellant de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

1.3. Uit de door appellant ingezonden jaarstukken over het jaar 2003 is het Uwv gebleken dat appellant over dat jaar een fiscale winst van € 16.049,-- bij de fiscus heeft aangegeven. Bij besluit van 20 april 2007 heeft het Uwv in verband met de inkomsten in het jaar 2003 de WAO- en WAZ-uitkeringen van appellant over dat jaar onder toepassing van artikel 44 van de WAO en artikel 58 van de WAZ uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.4. Het tegen het besluit van 20 april 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van

8 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.1. Bij besluit van 4 mei 2007 heeft het Uwv de over het jaar 2003 onverschuldigd betaalde WAO- en WAZ-uitkeringen ten bedrage van € 16.706,61 bruto van appellant teruggevorderd.

2.2. Bij besluit van 8 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht de inkomsten van appellant over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 met de reeds aan hem uitbetaalde WAO- en WAZ-uitkeringen heeft geanticumuleerd.

3.2. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij bij de beoordeling van de vraag of de terugvordering voor appellant onaanvaardbare gevolgen heeft enkel de feiten en omstandigheden kan betrekken die zich ten tijde van het bestreden besluit 2 hebben voorgedaan. De door appellant aangevoerde tragische omstandigheden, die onmiskenbaar aanzienlijke financiële gevolgen hebben, hebben zich echter voorgedaan nadat het Uwv het bestreden besluit 2 heeft genomen. Deze omstandigheden, zo heeft de rechtbank overwogen, kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel dat het Uwv ten tijde van het bestreden besluit 2 de aanwezigheid van dringende redenen heeft miskend. De rechtbank heeft verder overwogen dat de door appellant gestelde fouten van het Uwv en/of handelen door het Uwv in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, geheel daargelaten wat daar verder van zij, veeleer de oorzaak van de terugvordering dan de gevolgen ervan betreffen. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 maart 2001, gepubliceerd in RSV 2001/174, erop gewezen dat de enkele omstandigheid dat het Uwv een fout gemaakt heeft of zou hebben, op zichzelf geen dringende redenen opleveren. Overigens bestaat geen ruimte voor het aannemen van dringende redenen op de grond dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus de rechtbank.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat er sprake is van dringende redenen. Daartoe heeft hij met name gewezen op het overlijden van zijn echtgenote, hetgeen naast grote persoonlijke ook ingrijpende financiële gevolgen heeft. Daarnaast heeft hij ook gewezen op de door het Uwv gemaakte fouten, zijn (verslechterde) gezondheid, zijn precaire financiële situatie en zijn problematische woonsituatie.

4.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat in de situatie van appellant de gevolgen van het instellen van de terugvordering niet onaanvaardbaar zijn, zodat niet gesproken kan worden van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

5. De Raad stelt voorop dat, gelet op de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting, slechts aan de orde is het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over de vraag of in de situatie van appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 2 wel of geen sprake was van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO en artikel 63, vierde lid, van de WAZ. De Raad onderschrijft het daarover in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. Ook naar het oordeel van de Raad was er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 2 geen sprake van bedoelde dringende redenen. Voor zover de door en namens appellant naar voren gebrachte feiten en omstandigheden zijn opgekomen na het nemen van het bestreden besluit dienen deze door het Uwv op hun merites beoordeeld te worden in het zogeheten invorderingtraject.

6. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get) A.E. van Rooij.

EF