Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
08-3904 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door appellants verzoek om ook te worden bezoldigd naar salarisschaal 11 af te wijzen. De overeenkomst van 2005 is aangegaan met de groep controleadviseurs ten aanzien van wie in 2001 functiewaarderingsbesluiten zijn genomen, waartegen zij vervolgens hebben geprocedeerd. Het doel van de directeur AID bij het sluiten van de overeenkomst van 2005 was om met handhaving van de waardering van de organieke functie in salarisschaal 10, een einde te maken aan de lopende procedures en om de relatie met de betrokken medewerkers niet verder te beschadigen. Appellant behoorde niet tot deze groep controleadviseurs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3904 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2008, 07/1113 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door J. Veeren, werkzaam bij De Unie. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. den Bremer, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De minister heeft in september 2001 ten aanzien van een groep controleadviseurs, werkzaam bij de Algemene Inspectie Dienst (AID), functiewaarderingsbesluiten genomen. Deze besluiten houden in dat de functie van controleadviseur is ingedeeld in Hoofdgroep IV, niveaugroep c, hetgeen leidt tot een indeling in salarisschaal 10. Verschillende controleadviseurs zijn tegen die besluiten in bezwaar en, na ongegrond- verklaring van hun bezwaar, in beroep gekomen. De rechtbank Maastricht heeft de beroepen gegrond verklaard en de besluiten op bezwaar vernietigd; in één geval is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht hoger beroep ingesteld. De Raad heeft bij uitspraak van 22 juni 2004 het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.2. In augustus 2005 is een overeenkomst gesloten tussen de Directeur AID en negen controleadviseurs, inhoudende dat aan laatstgenoemden met ingang van 1 november 2000 salarisschaal 11 wordt toegekend. Tevens is in deze overeenkomst bepaald dat de controleadviseurs de aanhangig gemaakte rechtszaak intrekken. De minister heeft op

6 oktober 2005 ten aanzien van de betrokken controleadviseurs individuele besluiten genomen, waarin ieder van hen met terugwerkende kracht tot 1 november 2000 zijn bevorderd naar salarisschaal 11.

1.3. Appellant is met ingang van 15 september 2002 benoemd tot controleadviseur bij de AID in salarisschaal 10. Hij heeft de minister in januari 2006 verzocht om ook te worden bezoldigd naar salarisschaal 11. De minister heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 6 april 2006, welk besluit bij het bestreden besluit van 5 februari 2007 is gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants stelling dat de minister met het bestreden besluit het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, niet gevolgd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. De organieke functie van controleadviseur is gewaardeerd in salarisschaal 10. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat uit de besluiten van 6 oktober 2005 blijkt dat de minister de functie van controleadviseur vanaf 1 november 2000 alsnog heeft gewaar-deerd in salarisschaal 11. In deze besluiten heeft de minister immers meegedeeld dat de organieke functie met terugwerkende kracht wordt gewaardeerd in salarisschaal 10. In de betrokken individuele gevallen heeft de minister daarnaast meegedeeld dat de scorereeks voor de desbetreffende controleadviseur in de periode 1 november 2000 tot 6 oktober 2005 wordt bepaald op 49 punten, hetgeen overeenstemt met salarisschaal 11. Dat betreft een bevordering op persoonlijke titel op grond van de in augustus 2005 gesloten overeenkomst.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door appellants verzoek om ook te worden bezoldigd naar salarisschaal 11 af te wijzen. De overeenkomst van 2005 is aangegaan met de groep controleadviseurs ten aanzien van wie in 2001 functiewaarderingsbesluiten zijn genomen, waartegen zij vervolgens hebben geprocedeerd. Het doel van de directeur AID bij het sluiten van de overeenkomst van 2005 was om met handhaving van de waardering van de organieke functie in salarisschaal 10, een einde te maken aan de lopende procedures en om de relatie met de betrokken medewerkers niet verder te beschadigen. Appellant behoorde niet tot deze groep controleadviseurs.

Anders dan appellant stelt, kan ook ten aanzien van twee door hem met name genoemde controleadviseurs, R en N, niet worden gezegd dat het gaat om gevallen die gelijk zijn aan het geval van appellant. Ook voor deze twee controleadviseurs geldt namelijk dat zij - anders dan appellant - behoorden tot de groep ten aanzien van wie de functiewaar-deringsbesluiten van 2001 zijn genomen. Weliswaar heeft R niet tijdig bezwaar gemaakt tegen het functiewaarderingsbesluit van 2001, hij heeft wel beroep ingesteld bij de rechtbank Maastricht. Zijn situatie is tijdens de zitting bij de rechtbank Maastricht besproken. De minister heeft toen de toezegging gedaan dat R met de andere toenmalige eisers op één lijn zou worden gesteld. De situatie van R wijkt daarmee af van de situatie van appellant.

3.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht en op goede gronden in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A.J. Schaap en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD