Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
08-6849 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6849 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 oktober 2008, 06/895 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beers voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is programmeur/informatiedeskundige geweest en is op 19 januari 2000, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, uitgevallen wegens een klein herseninfarct. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door de verzekeringsarts M. Strik, die in zijn rapport van 8 december 2005 heeft vastgesteld dat er bij appellant, naast de gevolgen van een herseninfarct, ook sprake is van hartklachten. Met inachtneming van uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 15 tot 25%. Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 8 april 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. In bezwaar heeft appellant gesteld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat voor hem een urenbeperking moet gelden. In vergelijking met voorheen is zijn medische toestand niet verbeterd en voorheen gold voor hem ook een urenbeperking. Hij heeft tevens gesteld dat de geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. Voor wat betreft de urenbeperking heeft hij overwogen dat daar ook in het verleden geen strikte medische noodzaak voor heeft bestaan. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies nader had gemotiveerd en de mate van arbeidsongeschiktheid had berekend op eveneens 15 tot 25%, heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft het Uwv bij besluit van 11 april 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, aangezien bij het berekenen van de mate van arbeidsongeschiktheid de omvang van de maatman ten onrechte was gemaximeerd. Bij dit besluit is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en is bepaald dat appellant, in overeenstemming met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 maart 2007, met ingang van 8 april 2008 in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

3.2. Dit nadere besluit van 11 april 2007 heeft het Uwv met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure betrokken.

3.4. Nadat de rechtbank de zaak had behandeld op de zitting, heeft de rechtbank de cardioloog dr. J.A.F.M. van der Vring als deskundige ingeschakeld. Op 3 mei 2008 heeft deze deskundige rapport uitgebracht, waarin hij te kennen heeft gegeven zich te kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zij het dat appellant bij werkhervatting dient te beginnen met regelmatige werktijden. Om die reden heeft hij appellant ook minder geschikt geacht voor de geselecteerde functie van rayonmanager, omdat appellant in die functie ook buiten kantooruren moet werken.

3.5. Op dit rapport hebben zowel appellant als de bezwaarverzekeringsarts gereageerd, waarbij deze laatste ook nog heeft gereageerd op de reactie van appellant. Bij schrijven van 28 juni 2008 heeft de deskundige Vring nog gereageerd op deze reacties. Daarin heeft hij te kennen gegeven dat, wanneer de functie van rayonmanager geen onregelmatige werktijden kent, zoals door de bezwaarverzekeringsarts is gesteld, deze functie ook geschikt is.

3.6. Het beroep tegen het besluit van 5 juli 2006 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de deskundige gevolgd en zich kunnen verenigen met de medische component van het besluit van 11 april 2007. Aangezien de rechtbank zich ook heeft kunnen verenigen met de arbeidskundige component van dit besluit heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 april 2007 ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

4. Appellant heeft hoger beroep ingesteld, voor zover het beroep tegen het besluit van 11 april 2007 ongegrond is verklaard. Daarbij heeft hij dezelfde gronden naar voren gebracht als eerder in de procedure. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft, heeft hij nog nadere medische gegevens ingebracht.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de deskundige Vring. Ook de Raad is van oordeel dat deze deskundige, die de beschikking heeft gehad over alle tot dan toe in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht deze conclusies van deze deskundige, welke conclusie zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. Naar het oordeel heeft de rechtbank derhalve terecht geen aanleiding gevonden om af te wijken van het in vast jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische verklaringen hebben voor de Raad geen aanleiding gevormd om de deskundige niet meer te volgen, te meer daar het merendeel van deze verklaringen niet ziet op de datum in geding.

5.3. Aangezien het Uwv voorts de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft gemotiveerd, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR