Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
08-6760 WUBO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een periodieke uitkering, een toeslag en bijzondere voorzieningen. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens is de Raad niet gebleken van voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het voetspoor van haar geneeskundig adviseurs op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat ten tijde in geding geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel. De Raad stelt hierbij vast dat bij de medische beoordeling alle psychische klachten van appellant zijn betrokken. Ten aanzien van de hartklachten ziet de Raad, met name ook gezien de leeftijd waarop deze tot uiting zijn gekomen, evenmin aanleiding het door de medisch adviseur ingenomen standpunt dat deze niet zijn toe te schrijven aan de oorlogservaringen voor onjuist te houden. Er bestaat dus geen aanleiding voor omkering van de bewijslast, zoals door appellant is bepleit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6760 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het ten aanzien van hem door verweerster genomen besluit van 6 november 2008, kenmerk BZ 8559, JZ/Y70/2008, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 7 december 1926 te Rotterdam, heeft in augustus 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en bijzondere voorzieningen. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op bij hem bestaande gezondheidsklachten, die hij toeschrijft aan ervaringen tijdens de Duitse bezetting en met name tijdens zijn internering in het kamp Erica in Ommen.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 25 juni 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hierbij is erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, namelijk zijn internering in kamp Erica, maar is afwijzend beslist op de grond dat bij appellant niet wordt voldaan aan de ingevolge de Wet gestelde eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteit, leidend tot blijvende invaliditeit.

1.3. In bezwaar en beroep heeft appellant zich gekeerd tegen verweersters opvatting dat er geen sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Appellant voert hierbij aan dat zijn hartklachten in 2005 zijn ontstaan door de publiciteit rond de van oorlogsmisdaden verdachte Herbertus Bikker, die appellant in kamp Erica heeft mishandeld. Voorts stelt hij een te positief beeld van zijn psychische klachten gegeven te hebben ten overstaan van de artsen; er zijn slaapproblemen en hij is obsessief bezig met de oorlog met als gevolg emotionaliteit en prikkelbaarheid. Appellant voert hierbij aan dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest en dat hij ervan overtuigd is dat zijn gezondheidsklachten in kamp Erica zijn ontstaan. Dat zijn hartklachten aan het roken worden gerelateerd, acht hij onjuist, daar hij al ruim 27 à 30 jaar niet meer gerookt heeft. Appellant beroept zich op de zogenoemde omgekeerde bewijslast. In 1980 bestonden er reeds ernstige oorlogsgerelateerde klachten waardoor appellant voor 80% werd afgekeurd. Zijn psychische klachten beperken hem wel degelijk in het dagelijks leven.

1.4. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt.

2.1. De zienswijze van verweerster dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. In een rapport van onderzoek van appellant van 6 juni 2008 van de arts F.A.H. Laurman, die beschikte over informatie van de huisarts van appellant, is vermeld dat er sprake is van enige kenmerken van een PTSS in de zin van herbelevingen, verhoogde waakzaamheid en prikkelbaarheid met perioden van onrustig slapen, welke klachten als gedeeltelijk causaal zijn beschouwd. Als andere oorzaak voor de psychische klachten geeft deze arts de andere oorlogsomstandigheden aan en de ervaringen van appellant als militair bij acties in het voormalige Nederlands-Indië. Ter zake van de hartklachten in de vorm van hartritmestoornissen, waaraan appellant sedert 2005 lijdt, stelt deze arts vast dat deze niet zijn toe te schrijven aan de oorlogservaringen maar dat zij ondermeer voortvloeien uit langdurig intensief roken, ook gezien de hoge leeftijd van 79 jaar waarop de klachten tot uiting zijn gekomen. Ook de overige lichamelijke klachten worden niet-causaal geacht.

Appellant is in de bezwaarfase nogmaals door de adviserend geneeskundige, G. Kho, onderzocht. Deze arts heeft wel causale beperkingen in één van de vier beoordelings-rubrieken van de AMA vastgesteld en wel in de rubriek “dagelijkse activiteiten”. De in- en doorslaapproblemen van appellant leiden tot geringe tot matige beperkingen in deze rubriek. De ondergrens voor blijvende invaliditeit ligt bij causale geringe tot matige beperkingen in ten minste twee van de vier beoordelingsrubrieken van de AMA of bij aanzienlijke beperkingen in één rubriek. Op grond van de causale psychische klachten is er geen sprake van zodanige beperkingen dat kan worden gesproken van blijvende invaliditeit in de zin van de wet.

2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens is de Raad niet gebleken van voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het voetspoor van haar geneeskundig adviseurs op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat ten tijde in geding geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel. De Raad stelt hierbij vast dat bij de medische beoordeling alle psychische klachten van appellant zijn betrokken. Ten aanzien van de hartklachten ziet de Raad, met name ook gezien de leeftijd waarop deze tot uiting zijn gekomen, evenmin aanleiding het door de medisch adviseur ingenomen standpunt dat deze niet zijn toe te schrijven aan de oorlogservaringen voor onjuist te houden. Er bestaat dus geen aanleiding voor omkering van de bewijslast, zoals door appellant is bepleit.

3. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B.E. Giesen.

HD