Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
08-6486 WUBO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een toeslag, een periodieke uitkering en een voorziening. De Raad kan verweerster volgen in het standpunt dat directe betrokkenheid van appellant bij de beschietingen in Batavia tijdens de Bersiap-periode niet is komen vast te staan, nu objectieve gegevens hieromtrent ontbreken, en dat de gebeurtenissen in Makassar niet onder de werking van de Wet vallen. De Raad acht het echter op basis van de gedingstukken wel voldoende vast staan dat appellant direct betrokken is geweest bij de beschieting door een Japans vliegtuig op de theeonderneming in 1942. Uit de diverse beschrijvingen blijkt echter dat sprake was van gerichte beschieting van de familie en dat de kogels zeer dichtbij insloegen, mogelijk op 1,5 meter afstand. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de Raad wel sprake van directe betrokkenheid en een calamiteit in de zin van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6486 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 september 2008, kenmerk BZ 8516, JZ/P60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2007 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en een voorziening. Hierop is bij besluit van 16 juni 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Door appellant zijn een aantal gebeurtenissen naar voren gebracht die naar zijn mening alsnog tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:

- het meemaken van beschietingen, gericht op appellant en zijn familie, tijdens de Japanse bezetting;

- het meemaken van beschietingen tijdens de Bersiap-periode;

- ongeregeldheden en beschietingen in Makassar in 1950.

2.2. Bij het bestreden besluit is het standpunt gehandhaafd dat directe betrokkenheid van appellant bij de beschieting op de theeonderneming Goenoeng Mas bij Buitenzorg in maart 1942 niet is komen vast te staan. Niemand is daadwerkelijk getroffen tijdens deze beschieting en de getuigenverklaringen zijn onvoldoende overtuigend geacht om te kunnen spreken van een calamiteit als bedoeld in de Wet. De directe betrokkenheid van appellant bij beschietingen in Batavia tijdens de Bersiap-periode is volgens verweerster niet komen vast te staan, nu er geen objectieve gegevens of getuigenverklaringen zijn die dit bevestigen. De door appellant aangegeven gebeurtenissen in Makassar hebben na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië plaatsgevonden en vallen daarmee niet onder de werking van de Wet.

2.3. De Raad kan verweerster volgen in het standpunt dat directe betrokkenheid van appellant bij de beschietingen in Batavia tijdens de Bersiap-periode niet is komen vast te staan, nu objectieve gegevens hieromtrent ontbreken, en dat de gebeurtenissen in Makassar niet onder de werking van de Wet vallen. De Raad acht het echter op basis van de gedingstukken wel voldoende vast staan dat appellant direct betrokken is geweest bij de beschieting door een Japans vliegtuig op de theeonderneming in 1942. Ook verweerster heeft de beschieting door een Japans vliegtuig van appellant en zijn familie tijdens de vlucht naar een schuilplaats aan de rand van de theeonderneming aannemelijk geacht op basis van de verklaringen van appellant en zijn zuster en de in bezwaar nog ingebrachte verklaring van de neef van appellant, [naam neef appellant], die bij het schietincident aanwezig was. Directe betrokkenheid is echter niet aangenomen omdat niemand is geraakt en men de schuilplaats veilig heeft kunnen bereiken. Uit de diverse beschrij-vingen blijkt echter dat sprake was van gerichte beschieting van de familie en dat de kogels zeer dichtbij insloegen, mogelijk op 1,5 meter afstand. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de Raad wel sprake van directe betrokkenheid en een calamiteit in de zin van de Wet.

3. Gezien het vorenstaande treft het beroep van appellant doel en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerster dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad ten slotte niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 23 september 2008;

Draagt verweerster op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan appellant het griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B.E. Giesen.

HD