Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08-5289 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig medisch onderzoek. Juiste vaststelling medische beperkingen. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht over de resultaten van de gemaakte rugscan ziet hij geen aanknopingspunten om de beperkingen zoals die door de bezwaarverzekeringsartsen E.J.M. van Paridon en R. Rombout zijn vastgesteld onjuist te achten. Uitgaande van die beperkingen heeft het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid functies behorend bij Sbc-code 513010 (productieplanner, administratief werkvoorbereider), 514020 (programmeur, systeembeheerder, computeroperator) en 515201 (telefonist coördinatiecentrum) gehanteerd. Met appellant is de Raad van oordeel dat hij niet voldoet aan het voor de functie van planner gestelde vereiste van minimaal één jaar relevante werkervaring. De Raad stelt vast dat appellant oorspronkelijk een opleiding in de chemische technologie (op universitair niveau) in het voormalige Joegoslavië heeft afgerond en in Nederland in 1996 is omgeschoold voor de functie van Oracle-programmeur. De werkervaring die hij op beide gebieden heeft opgedaan is niet gelijk te stellen aan het op dat punt in de functie van planner gestelde vereiste. Ook voldoet appellant naar het oordeel van de Raad niet aan het gestelde opleidings- en ervaringsvereiste voor de functie van applicatiebeheerder (vallend onder de Sbc-code programmeur, systeembeheerder, computeroperator). Twee van de drie functies kunnen niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Daarmee resteren onvoldoende functies. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5289 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2008, 07/5573

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.L.W. Oyen, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Daarna heeft appellant nog een stuk ingediend.

Het Uwv heeft de Raad desgevraagd nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

De Raad heeft vervolgens vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee hij heeft bepaald dat het vooronderzoek wordt heropend.

Het Uwv heeft desgevraagd aan de Raad een nadere toelichting van zijn bezwaararbeidsdeskundige toegezonden. Namens appellant is hierop gereageerd. Het Uwv heeft daarna nog een rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige toegezonden waarop namens appellant is gereageerd.

Na daartoe toestemming te hebben gekregen van partijen heeft de Raad bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is vanaf 1 april 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 17 november 2005 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 18 januari 2006 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum is afgenomen tot minder dan 15%.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 19 november 2007 (het bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen, en dat het met name onterecht is dat het Uwv de zogenoemde urenbeperking tot zes uur per dag heeft laten vervallen. Verder meent appellant dat hij niet in staat is de door het Uwv geduide functies uit te oefenen, niet alleen vanwege zijn medische beperkingen, maar ook omdat hij de daarvoor vereiste opleiding en ervaring mist.

3.2. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellant op 18 januari 2006 bestaande medische beperkingen. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht over de resultaten van de gemaakte rugscan ziet hij geen aanknopingspunten om de beperkingen zoals die door de bezwaarverzekeringsartsen E.J.M. van Paridon en R. Rombout zijn vastgesteld onjuist te achten. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het Uwv in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet langer een urenbeperking is aangenomen, merkt de Raad het volgende op. In de rapporten van Van Paridon van 15 juni 2006/30 juni 2006 en 22 januari 2007 is deugdelijk gemotiveerd dat er, uitgaande van de Standaard Verminderde Arbeidsduur en gelet op de objectief medische gegevens, geen reden is appellant beperkt te achten in het aantal uren dat hij per dag kan werken.

4.2. Uitgaande van die beperkingen heeft het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid functies behorend bij Sbc-code 513010 (productieplanner, administratief werkvoorbereider), 514020 (programmeur, systeembeheerder, computeroperator) en 515201 (telefonist coördinatiecentrum) gehanteerd.

4.2.1. Met appellant is de Raad van oordeel dat hij niet voldoet aan het voor de functie van planner gestelde vereiste van minimaal één jaar relevante werkervaring. Daarmee wordt bedoeld ervaring met logistiek op MBO-niveau, in het bijzonder het werken met een geautomatiseerd planningsysteem en het toepassen van arbo-, milieu- en ISO-protocollen. Die ervaring is nodig vanwege essentiële contacten met de verkoopafdeling, kwaliteitsdienst, transportplanner, productieleider en de leidinggevenden. De Raad stelt vast dat appellant oorspronkelijk een opleiding in de chemische technologie (op universitair niveau) in het voormalige Joegoslavië heeft afgerond en in Nederland in 1996 is omgeschoold voor de functie van Oracle-programmeur. De werkervaring die hij op beide gebieden heeft opgedaan is niet gelijk te stellen aan het op dat punt in de functie van planner gestelde vereiste.

4.2.2. Ook voldoet appellant naar het oordeel van de Raad niet aan het gestelde opleidings- en ervaringsvereiste voor de functie van applicatiebeheerder (vallend onder de Sbc-code programmeur, systeembeheerder, computeroperator). Ten eerste beschikt hij niet over het vereiste “MBO-informatica niveau 4-diploma” en voorts beschikt hij niet over de vereiste twee jaar relevante werkervaring. Mede uit de informatie die partijen hierover hebben verstrekt, maakt de Raad op dat het hierbij gaat om het toepassen van informatiesystemen (PRINS-2 en ITIL), waarbij de gebruikersdocumentatie ontwikkeld en onderhouden moet worden. Appellant heeft in de praktijk uitsluitend programma-onderdelen met behulp van Oracle geschreven en nimmer een dergelijke methode beheerd of gebruikers bij het beheren daarvan begeleid. Daarmee heeft hij ervaring op een aanzienlijk smaller en ook andersoortig terrein opgedaan.

4.3. Uit hetgeen bij 4.2 is overwogen, volgt dat twee van de drie functies niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarmee resteren onvoldoende functies. Dit betekent dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft gehandhaafd dat appellant per 18 januari 2006 geen recht heeft op een WAO-uitkering. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5. Appellant heeft verzocht om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade. Nu nog niet vaststaat dat de intrekking van de uitkering in rechte niet kan standhouden, kan de Raad hierover niet beslissen. Het Uwv dient bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar hierover te besluiten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op

€ 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van

19 november 2007;

Draagt het Uwv op een nieuwe beslissing te nemen op bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in aanwezigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK