Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08-6312 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een zelfstandig medisch onderzoek van appellante niet achterwege mocht laten. De bezwaarverzekeringsarts kon zich op het standpunt stellen dat er voldoende medische informatie voorlag voor een verantwoorde oordeelsvorming. De Raad kan instemmen met deze visie van de bezwaarverzekeringsarts, en is van oordeel dat er geen objectief medische argumenten aanwezig zijn om ervan uit te gaan dat appellante slechts in een arbeidsomvang van maximaal 12 uur per week zou kunnen werken. De Raad voegt hier nog aan toe dat geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen. Appellante is terecht in staat geacht haar eigen functie in de maatgevende omvang van 19 uur per week te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6312 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 september 2008, 08/203 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. Graafstaal, advocaat te Ermelo, hoger beroep ingesteld en daarbij informatie overgelegd van de behandelend sector.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapportage van 15 december 2008 van bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 14 februari 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.

1.2. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 14 februari 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen haar eigen werk van administratief medewerkster in de volle omvang van 19 uur per week moet kunnen verrichten.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft – onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – geoordeeld dat het niet verrichten van eigen onderzoek of het inwinnen van informatie van de behandelend sector door de (bezwaar)verzekeringsarts niet zonder meer meebrengt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden beschouwd. Raadpleging van een behandelende arts of artsen van een betrokkene is in beginsel wel aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet waarvan een effect op de belastbaarheid van betrokkene te verwachten is of indien betrokkene stelt dat een behandelende arts een beredeneerd afwijkend standpunt over diens beperkingen heeft. De rechtbank is van oordeel dat zich geen van deze uitzonderingsgevallen voordoet en dat appellante ook in beroep geen medische informatie heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het bestreden besluit onjuist is.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar ziektebeeld onvoldoende door het Uwv is onderzocht en dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. Appellante heeft gewezen op haar lichamelijke klachten, te weten de gevolgen van een elleboogfractuur links, een schildklierafwijking en een slokdarmaandoening. Appellante stelt dat het totale ziektebeeld niet wordt begrepen omdat het Uwv weigert informatie op te vragen. Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat de 12 uur die zij – in de eigen functie – per week werkt voor haar het maximaal haalbare is; zij blijft van mening dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is en heeft de Raad verzocht om als deskundige een neuroloog of endocrinoloog te benoemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De verzekeringsarts J. van Asselt heeft appellante op 14 november 2006 onderzocht en heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans heeft op basis van de dossierstukken gerapporteerd en is tot de conclusie gekomen dat appellante adequaat verzekeringsgeneeskundig is onderzocht en dat het rapport van de verzekeringsarts consistent, transparant en reproduceerbaar is. In zijn rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts de aandoeningen van appellante onderkend en overwogen dat de rechtstreekse gevolgen voor de arbeidsmogelijkheden voldoende zijn aangegeven in de opgemaakte FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten aanzien van de door appellante gestelde duurbeperking (tot 12 uur per week) gemeld dat een dergelijke urenbeperking medisch objectief niet plausibel is te onderbouwen als rechtstreeks gevolg van ziekte, gezien de aard en ernst van de medische aandoeningen van appellante.Ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde grief dat de bezwaarverzekeringsarts appellante ten onrechte niet zelf onderzocht heeft merkt de Raad op dat, zoals ook door de rechtbank is overwogen, volgens vaste jurisprudentie het niet zonder meer onzorgvuldig is te achten dat een bezwaarverzekeringsarts zich beperkt tot dossieronderzoek en de betrokkenen verzekerde niet zelf medisch onderzoekt. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een zelfstandig medisch onderzoek van appellante niet achterwege mocht laten. De bezwaarverzekeringsarts kon zich op het standpunt stellen dat er voldoende medische informatie voorlag voor een verantwoorde oordeelsvorming.

4.2. Op de door appellante in hoger beroep ingezonden medische informatie is nog gereageerd door bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen. Volgens deze bezwaarverzekeringsarts komen ook uit die medische gegevens geen argumenten naar voren voor een urenbeperking. Appellante is op de datum in geding bekend met hypothyreoïdie, gesubstitueerd, refluxklachten, waarvoor medicatie, en klachten van de elleboog als resterend letsel na een fractuur. Er geen sprake van een verminderde beschikbaarheid als gevolg van een intensieve therapie of een dagbehandelingprogramma; appellante lijdt voorts niet aan een ernstige hart- of longaandoening welke een verminderd energetisch vermogen tot gevolg heeft. Ook vanuit preventief opzicht zijn er geen medische argumenten voor een urenbeperking. De Raad kan instemmen met deze visie van de bezwaarverzekeringsarts, en is van oordeel dat er geen objectief medische argumenten aanwezig zijn om ervan uit te gaan dat appellante slechts in een arbeidsomvang van maximaal 12 uur per week zou kunnen werken. De Raad voegt hier nog aan toe dat ook overigens geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen. Appellante is aldus terecht in staat geacht haar eigen functie in de maatgevende omvang van 19 uur per week te vervullen.

5. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

II. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

EK