Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08-1462 WWB + 08-1463 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en afwijzing aanvraag bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Weigering huisbezoek. De Raad is van oordeel dat appellante haar stelling dat zij de consequenties van haar weigering vanwege haar psychische problematiek en beperkte intellectuele vaardigheden niet kon overzien, mede vanwege het ontbreken van objectieve medische gegevens, niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat is gebleken dat appellante na het intakegesprek op 17 juli 2006 opnieuw geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Geen wijziging in de omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1462 WWB

08/1463 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 januari 2008, 06/9094 en 07/17 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Kwakkelstein-Doornbos, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kwakkelstein-Doornbos. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1 oktober 1993 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij het College is appellante bekend woonachtig te zijn op het adres [adres A] te [woonplaats] (hierna: het adres).

1.2. In het kader van een heronderzoek, in het bijzonder uit een jaarnota van 31 maart 2006 van Eneco, is gebleken dat appellante over de periode van 16 maart 2006 tot 12 maart 2006 een laag maandbedrag heeft betaald voor gas en elektriciteit en dat er in die periode sprake is geweest van een laag waterverbruik op het adres van appellante. Appellante is uitgenodigd voor een gesprek op 24 mei 2006 met de bijstandsconsulente en een medewerker van de afdeling Bijzonder onderzoek. Uit de mede door appellante ondertekende gespreksnotitie van 24 mei 2006 blijkt dat appellante onder meer heeft verklaard dat zij de laatste tijd veel bij haar zieke moeder in [plaatsnaam] verblijft. Voorts heeft zij verklaard dat zij ook om andere door haar in het gesprek genoemde omstandigheden vanaf ongeveer januari 2004 het merendeel van de tijd in [plaatsnaam] verblijft. Uit de gespreksnotitie kan worden opgemaakt dat appellante het afleggen van een huisbezoek heeft geweigerd en daarin heeft volhard nadat zij op de mogelijke gevolgen van de weigering was gewezen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 18 mei 2006 en 6 juni 2006.

1.3. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 12 juni 2006 de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2006 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juni 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting aangaande haar woonadres heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Appellante heeft zich op 11 juli 2006 gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Bij besluit van 15 september 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 27 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat appellante recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten van 9 oktober 2006 en 27 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de intrekking van bijstand.

4.1. De Raad stelt vast dat bij het besluit van 12 juni 2006 de bijstand is ingetrokken met ingang van 1 juni 2006. Aangezien het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter, naar vaste rechtspraak van de Raad, de periode tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2006 tot en met

12 juni 2006.

4.2. Artikel 17, eerste lid, (tekst tot 1-1-2008) van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien de belanghebbende de inlichtingen-of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.3. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2001, LJN ZB9247 alsmede de uitspraak van 3 september 2003, LJN AF 3007) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen; vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.4. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval een redelijke grond voor een huisbezoek bestond. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het lage waterverbruik op het adres van appellante alsmede de verklaring van appellante dat zij sinds januari 2004 het merendeel van de tijd bij haar moeder in [plaatsnaam] verblijft redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van het door appellante opgegeven woonadres. Het College heeft onder deze omstandigheden terecht van appellante verlangd dat zij medewerking zou verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Niet in geschil is dat appellante op 24 mei 2006 haar medewerking aan het huisbezoek tot twee maal toe heeft geweigerd, ook nadat zij op de consequenties hiervan is gewezen. Appellante heeft aangevoerd dat zij medewerking aan een huisbezoek heeft geweigerd omdat haar zoon daarbij niet aanwezig kon zijn en omdat het voor haar niet duidelijk was dat de bijstandsconsulente bij het huisbezoek aanwezig zou zijn. Met de rechtbank acht de Raad de door appellante aangevoerde redenen niet van zodanig zwaarwegend belang dat daarvoor het belang van het College om onmiddellijk de door appellante opgegeven woonsituatie te verifiëren, gelet op de mogelijkheden om daarin wijziging aan te brengen, behoefde te wijken. De Raad is voorts van oordeel dat appellante haar stelling dat zij de consequenties van haar weigering vanwege haar psychische problematiek en beperkte intellectuele vaardigheden niet kon overzien, mede vanwege het ontbreken van objectieve medische gegevens, niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook de stelling van appellante dat tijdens het gesprek op 24 mei 2006 ten onrechte door de rapporteurs niet is gevraagd naar de reden van de weigering, treft geen doel. Het lag op de weg van appellante om zelf tijdens het gesprek op 24 mei 2006 de redenen van de weigering naar voren te brengen.

4.5. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken met ingang van 1 juni 2006. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

Ten aanzien van de aanvraag om bijstand van 11 juli 2006.

4.6. Zoals de Raad eerder heeft overwogen ligt het, indien een lopende bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.7. Blijkens het tot de gedingstukken behorende rapport van 11 september 2006 heeft appellante tijdens het, naar aanleiding van haar aanvraag van 11 juli 2006 gehouden, intakegesprek op 17 juli 2006 verklaard dat de onder 1.2 genoemde jaarnota van Eneco niet correct is en dat zij wel degelijk geregeld op het adres verblijft. Appellante heeft vervolgens een herziene jaarnota van Eneco ingeleverd, waaruit blijkt dat appellante nog minder gas, elektriciteit en water heeft verbruikt dan uit de vorige jaarnota is gebleken. In het rapport van 18 oktober 2006 komt naar voren dat appellante op 17 juli 2006 wederom een huisbezoek heeft geweigerd omdat haar zoon daarbij niet aanwezig kan zijn.

4.8. De Raad is van oordeel dat voor het vaststellen van het recht op bijstand, gelet op de eerdere intrekking van bijstand en de blijkens de rapportage van 11 september 2006 door appellante overgelegde herziene jaarnota van Eneco, het afleggen van een huisbezoek relevant was. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat is gebleken dat appellante na het intakegesprek op 17 juli 2006 opnieuw geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De Raad is voorts van oordeel dat appellante ten tijde van haar aanvraag niet heeft aangetoond dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het College heeft de aanvraag van appellante dan ook terecht afgewezen.

4.9. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

IJ