Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08-7001 WWB + 08-7002 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Vier bankrekeningen op naam van appellanten. Schending inlichtingenverplichting. De Raad kan zich verenigen met het standpunt van het College dat de tegoeden (saldi) op de DHB-rekeningen van appellanten vermogen betreft in de zin van artikel 34, eerste lid, van de WWB en de via kasstortingen op die bankrekeningen bijgeschreven bedragen inkomen betreft in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. De Raad is met het College van oordeel dat appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt dat, en - zo ja - op welke wijze, deze bedragen zijn besteed. Het College was ook op grond van artikel 58, vierde lid, van de WWB bevoegd de vordering in zoverre te verhogen met de afgedragen loonheffing en premies volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7001 WWB

08/7002 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te ’[woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2008, 07/9652 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 november 2009. Beide partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 12 mei 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden en in aanvulling op hun ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.

1.2. Naar aanleiding van zogeheten IB-vermogenssignalen waaruit bleek dat appellanten bij de Demir Halk Bank (DHB) vier - niet bij het College bekende - bankrekeningen op hun naam hadden staan, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft het College bij appellanten bankafschriften opgevraagd.

1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen, neergelegd in rapportages van 17 juli 2006 en 12 september 2006, heeft het College bij besluit van 15 september 2006 (besluit 1) de bijstand van appellanten over de periode van 1 augustus 1998 tot en met 30 juni 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.369,-- van hem teruggevorderd. Vervolgens heeft het College bij besluit van 5 februari 2007 (besluit 2) de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.126,86 teruggevorderd. Bij besluit van 21 februari 2007 (besluit 3) heeft het College het bij besluit 1 (netto) teruggevorderde bedrag dat ziet op de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 (€ 1.356,17) verhoogd met de afgedragen loonheffing en premies volksverzekering tot een bedrag van € 131,55. Bij besluit van 12 november 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit van 12 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt dat met zich dat de in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 augustus 1998 tot en met de datum van besluit 2 (5 februari 2007).

4.2. Vaststaat dat in de periode van 1 augustus 1998 tot 17 juni 2004, respectievelijk 8 juli 2005 vier bankrekeningen bij de DHB op naam van appellanten hebben gestaan, dat daarop regelmatig via kasstortingen bedragen zijn bijgeschreven en dat appellanten de bankrekeningen en kasstortingen niet uit eigen beweging hebben gemeld aan het College. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij van belang waren voor (de omvang van) hun recht op bijstand. Door van de DHB-rekeningen en kasstortingen geen mededeling te doen aan het College, hebben appellanten in genoemde periode de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een bijstandontvanger de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten er niet in zijn geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken.

4.4. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellanten de op hun naam staande DHB-rekeningen hebben opgeheven op 17 juni 2004 respectievelijk 8 juli 2005 en de op die data nog aanwezige saldi van € 17.201,38 respectievelijk € 11.224,26 hebben opgenomen. Hiermee staat vast dat appellanten over de tegoeden op hun DHB-rekeningen hebben kunnen beschikken en daarover ook daadwerkelijk hebben beschikt. Het betoog van appellanten dat deze tegoeden toebehoorden aan hun kinderen, die hun (spaar)geld in bewaring hadden gegeven aan appellanten, doet daar niet aan af, reeds omdat dit betoog niet is onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Als zodanige gegevens zijn naar het oordeel van de Raad in ieder geval niet te beschouwen de eerst in hoger beroep door appellanten overgelegde schriftelijke verklaringen van hun kinderen. Evenmin hebben appellanten concrete en verifieerbare gegevens overgelegd over de herkomst van de via de kasstortingen op de DHB-rekeningen bijgeschreven bedragen. De Raad kan zich dan ook verenigen met het standpunt van het College dat de tegoeden (saldi) op de DHB-rekeningen van appellanten vermogen betreft in de zin van artikel 34, eerste lid, van de WWB en de via kasstortingen op die bankrekeningen bijgeschreven bedragen inkomen betreft in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB.

4.5. Daarnaast blijkt uit de beschikbare gegevens dat appellanten niet alleen de onder 4.4 genoemde bedragen van € 17.201,38 en € 11.224,26 hebben opgenomen bij de opheffing van hun DHB-rekeningen, maar ook nog op 2 februari 2001 een bedrag van fl. 50.000,-- (€ 22.689,01) van één van die bankrekeningen. De Raad is met het College van oordeel dat appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt dat, en - zo ja - op welke wijze, deze bedragen zijn besteed. Appellanten hebben betoogd, onder verwijzing naar de onder 4.4 bedoelde verklaringen van hun kinderen, dat zij € 17.000,-- hebben teruggegeven aan hun kinderen, maar dit betoog wordt niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens en ziet bovendien slechts op een deel van de opgenomen bedragen.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat aan appellanten als gevolg van de door hen geschonden inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand is verleend over een deel van de in geding zijnde periode en dat voor het resterende deel van die periode het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten verleende bijstand met ingang van 1 augustus 1998 in te trekken. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over de periode van 1 augustus 1998 tot en met 30 juni 2006 gemaakte kosten van bijstand. Ook wat de terugvorderings-bevoegdheid betreft, ziet de Raad met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het College daarvan niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Niet in geschil is dat het van appellanten teruggevorderde bedrag dat ziet op de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 (€ 1.356,17) op 31 december 2006 nog niet was betaald. Het College was dan ook op grond van artikel 58, vierde lid, van de WWB bevoegd de vordering in zoverre te verhogen met de afgedragen loonheffing en premies volksverzekeringen. De Raad ziet in dit geval, waarin appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B.E. Giesen.

DW