Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08-4907 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is tot de slotsom gekomen dat op grond van de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is gemotiveerd dat de functie receptionist/telefonist geschikt is te achten voor betrokkene. Daarbij wijst de Raad erop dat in deze functie ten aanzien van het reiken links geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene en dat, gezien de aard van de handelingen in deze functie, aannemelijk is geworden dat het reiken - waar nodig - grotendeels met de linker hand kan geschieden. Vernietiging uitspraak. Nieuwe beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4907 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2008, 07/1951 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (Turkije), (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft appellant nog een nadere rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. Namens betrokkene is verschenen

mr. Voets, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie.

1.2. Betrokkene heeft in december 1993 zijn werk als electromonteur gestaakt, wegens maag- en schouderklachten. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge - onder meer - de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan betrokkene toegekend, welke uitkering aanvankelijk gebaseerd was op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 18 november 1996 is de uitkering herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Betrokkene is in of omstreeks 1996 verhuisd naar Turkije.

1.3. In het kader van de herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene heeft appellant betrokkene in Turkije laten onderzoeken door Turkse artsen. Uit de rapportages van deze artsen blijkt dat bij betrokkene sprake was bewegingsbeperkingen van de schouder als gevolg van luxatie aan de schouder en van een aanpassingsstoornis met een depressieve stemming als gevolg van belemmeringen in zijn leven vanwege het schouderprobleem.

1.4. Bij besluit van 1 maart 2001 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 8 september 2001 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Het namens betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing van 19 augustus 2002 gegrond verklaard. Tevens is daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vanaf 8 september 2001 ongewijzigd vastgesteld op 15 tot 25%.

1.5. De rechtbank is in haar uitspraak van 27 februari 2004 (02/4345) tot de slotsom gekomen dat appellant de voor betrokkene vastgestelde fysieke en psychische beperkingen niet onjuist heeft vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank toen geoordeeld dat de markeringen bij de drie aan betrokkene voorgehouden functies, zowel voor wat betreft het aspect reiken als psychische belastbaarheid niet toereikend zijn gemotiveerd, zodat het besluit op bezwaar van 19 augustus 2002 op die grond niet in stand kon blijven.

1.6. Appellant heeft vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar van 4 mei 2004 genomen, waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 1 maart 2001 weer gegrond is verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vanaf 8 september 2001 ongewijzigd is vastgesteld op 15 tot 25%.

1.7. De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 oktober 2006 (04/1792 en 04/4660), onder meer, het besluit op bezwaar van 4 mei 2004 van appellant vernietigd, omdat appellant bij de aan dit besluit ten grondslag liggende beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 8 september 2001 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de psychische klachten van betrokkene, die samenhangen met zijn fysieke klachten.

1.8. Appellant heeft vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar genomen op 12 februari 2008 (hierna: bestreden besluit), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 8 september 2001 is vastgesteld op 55 tot 65%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij is overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en dat de geschiktheid van de functies op het punt van de psychische belastbaarheid voldoende is toegelicht. De rechtbank heeft de functie receptionist/telefonist, met fb-code 3941, echter ongeschikt geacht voor betrokkene, omdat de belasting in die functie de belastbaarheid van betrokkene overschrijdt. Hierdoor resteerden onvoldoende functies om de schatting te kunnen dragen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de functie receptionist/telefonist wel geschikt is te achten voor betrokkene. Daarbij is verwezen naar twee rapportages van een bezwaararbeidsdeskundige.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat tussen partijen in hoger beroep slechts in geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat de functie receptionist/telefonist ongeschikt is voor betrokkene.

4.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat de belastbaarheid van betrokkene op het aspect reiken beperkt is in die zin dat hij met links 150 keer per uur 70 cm kan reiken en met rechts 15 keer per uur 60 cm, terwijl de belasting in de functie receptionist/telefonist 50 keer per uur 60 cm is. Deze overschrijding van de belastbaarheid is volgens de rechtbank geen incidentele gebeurtenis, zoals door appellant was aangevoerd.

4.3. De bezwaararbeidsdeskundige van appellant heeft in hoger beroep aangegeven dat de motivering ten aanzien van de geschiktheid van de functie receptionist/telefonist niet correct was, omdat daarin ten onrechte het woord “incidenteel” is vermeld met betrekking tot de frequentie van de overschrijding. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige erop gewezen dat uit de functieomschrijvingen van deze functie, zowel die in het FIS als in het CBBS, niet blijkt van handelingen die ten aanzien van reiken dermate belastend zijn dat die niet met links uitgevoerd kunnen worden. Het gaat in deze functie om receptiewerk, zoals telefoneren, (aan)pakken van pakjes en sleutels en het pakken c.q. wegzetten van mappen en dossiers. Deze handelingen kunnen volgens de bezwaararbeidsdeskundige goed met de niet dominante linker hand worden uitgevoerd, waarbij de rechterhand waar nodig een steunfunctie kan hebben.

4.4. De Raad is tot de slotsom gekomen dat op grond van deze toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is gemotiveerd dat de functie receptionist/telefonist geschikt is te achten voor betrokkene. Daarbij wijst de Raad erop dat in deze functie ten aanzien van het reiken links geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene en dat, gezien de aard van de handelingen in deze functie, aannemelijk is geworden dat het reiken - waar nodig - grotendeels met de linker hand kan geschieden.

4.5. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en is bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen, en dat het beroep alsnog ongegrond verklaard dient te worden.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en is bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen aan betrokkene.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB