Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
08-4714 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naareen mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De Raad: zorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake van vergaande beperkingen. Arbeidskundige grondslag: geschiktheid functies. Opleidingsniveau. Nadere motivering in hoger beroep. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4714 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 juli 2008, 08/112 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft, naar aanleiding van een verzoek van de Raad, bij schrijven van

2 september 2009 een nader rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt sinds 1987 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het Uwv de uitkering, na geneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van 4 maart 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is gegrond verklaard bij besluit van 18 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit), in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 4 maart 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij op 4 maart 2007 meer beperkingen had, zoals voor zien, lopen en zitten tijdens het werk, dan door het Uwv is aangenomen. In verband daarmee acht hij zich niet in staat om de functies te vervullen die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit. Hij heeft voorts de gronden zoals door hem in de bezwaar- en beroepsfase zijn aangevoerd gehandhaafd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad oordeelt, evenals de rechtbank, dat er geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Ook heeft de Raad, op dezelfde gronden als de rechtbank, in de medische gegevens - waaronder het rapport van 28 februari 2007 van de door appellant geraadpleegde medisch adviseur D.J. Schakel - geen argumenten aangetroffen om bezwaarverzekeringsarts J. van der Leij niet te volgen in diens reactie op de stelling van de gemachtigde van appellant. Zo acht de Raad het voor de vereiste afwisseling van houding voldoende dat bij aspect 5.9 is opgenomen dat, ingeval van langere tijd achtereen zitten, de mogelijkheid van houdingsverandering en vertreding aanwezig moet zijn. Ook acht de Raad voldoende dat bij aspect 4.24 de voorwaarde is opgenomen dat, als appellant langere tijd moet lopen, wat tot vier uur per dag mogelijk is, voor hem de gelegenheid moet bestaan om te gaan zitten. Nu niet is gebleken van objectiveerbare visusklachten is het naar het oordeel van de Raad gerechtvaardigd dat met betrekking tot het aspect ‘zien’ geen beperking is vastgesteld. Appellant heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aanvaard.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv appellant in staat heeft geacht om op 4 maart 2007 functies te vervullen, behorend bij de Sbc-codes productiemedewerker industrie (111180), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (267050) en productiemedewerker textiel, geen kleding (272043). Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde functionele beperkingen, is niet gebleken dat hij die functies (waarvan enkele pas in de bezwaarfase binnen de genoemde codes zijn geselecteerd) niet zou kunnen verrichten. Voor zover de Functionele Mogelijkheden Lijst nog een verborgen beperking bevat met betrekking tot het aspect ‘zitten’ vanwege de noodzaak om daarbij te kunnen verzitten of vertreden, is aan deze noodzaak voldoende aandacht besteed door bezwaararbeidsdeskundige Van Dam. Verder acht de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat het opleidingsniveau van appellant is te stellen op niveau 2. Met de uitgebrachte arbeidskundige rapporten is tevens duidelijk geworden dat het in de in de bezwaarfase gehanteerde functies niet gaat om veelvuldige storingen, te frequente piekbelasting of hoge werkdruk, dan wel om langdurig lopen of langdurige statische houdingen. Deze functies zijn dezelfde of liggen zozeer in het verlengde van de in de primaire fase aan appellant voorgehouden functies dat het hem duidelijk kon zijn dat hij daarvoor geschikt kon worden geacht.

4.3. Nu pas in de fase van het hoger beroep een naar het oordeel van de Raad toereikende arbeidskundige toelichting is gegeven met betrekking tot de geschiktheid van de functies, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het dient om die reden te worden vernietigd. Hieruit volgt dat ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Wel ziet de Raad, gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor kosten van rechtbijstand in beroep en op € 322,- voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR