Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
09-706 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herstart terugbetalingsperiode. Appellant bestrijdt niet dat de IB-Groep de aanloopfase bij besluit van 6 februari 2005 per 1 januari 2004 en de aflosfase bij besluit van 6 januari 2006 per 1 januari 2006 heeft doen starten. Appellant bestrijdt voorts niet dat hij noch tegen het besluit van 6 februari 2005, noch tegen het besluit van 6 januari 2006 een rechtsmiddel heeft aangewend. Daargelaten het antwoord op de vraag of zulks appellant in deze procedure zou kunnen baten, kunnen in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten worden gevonden voor het oordeel dat dit appellant niet zou zijn aan te rekenen. Het standpunt van appellant dat het beëindigen van de opschorting dient te leiden tot het opnieuw starten van de terugbetalingsperiode, omdat uit de inmiddels door de Raad gevormde rechtspraak volgt dat de IB-Groep de aanloopfase en aflosfase op een onjuist moment heeft doen starten, gaat voorbij aan hetgeen is overwogen in 4.6. Tussen partijen is overigens niet in geschil dat de wijze waarop de beëindiging van de opschorting en de wijze van herstart van de terugbetalingsperiode hebben plaatsgevonden niet onjuist zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/706 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2008, 08/1157 en 08/1158, voor zover daarbij uitspraak is gedaan in de hoofdzaak (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 11 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Appellant is verschenen in persoon. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 22 augustus 2008 heeft de IB-Groep gehandhaafd haar besluit van 6 mei 2008, inhoudende – voor zover hier van belang – dat de terugbetalingsperiode als bedoeld in artikel 6.5. van de Wet studiefinanciering 2000

(Wsf 2000) wederom is gaan lopen, omdat appellant niet langer studeert. De terugbetalingsperiode is feitelijk wederom gaan lopen per 1 augustus 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van rechtbank het door appellant tegen het besluit van 22 augustus 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft miskend dat van hervatten van de terugbetalingsperiode geen sprake kan zijn, nu deze periode niet is gestart. Naar de mening van appellant vangt de terugbetalingsperiode, nu hij onafgebroken heeft gestudeerd van 1997 tot 1 augustus 2006, eerst aan per 1 januari 2007. Appellant heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Raad van 19 november 2004, LJN AR7395.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Artikel 6.5 van de Wsf 2000 luidt als volgt:

1. De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studerende te zijn.

2. De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.

3. Indien de debiteur opnieuw een studerende wordt, wordt de terugbetalingsperiode geschorst.

4. …

4.3. In artikel 6.6 van de Wsf 2000 is bepaald dat de aanloopfase de eerste twee kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode beslaat en dat gedurende de aanloopfase geen verplichting tot terugbetaling bestaat.

4.4. Ingevolge artikel 6.7 van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, volgt de aflosfase op de aanloopfase en duurt de aflosfase 15 kalenderjaren.

4.5. Appellant bestrijdt niet dat de IB-Groep de aanloopfase bij besluit van 6 februari 2005 per 1 januari 2004 en de aflosfase bij besluit van 6 januari 2006 per 1 januari 2006 heeft doen starten.

Appellant bestrijdt voorts niet dat hij noch tegen het besluit van 6 februari 2005, noch tegen het besluit van 6 januari 2006 een rechtsmiddel heeft aangewend. Daargelaten het antwoord op de vraag of zulks appellant in deze procedure zou kunnen baten, kunnen in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten worden gevonden voor het oordeel dat dit appellant niet zou zijn aan te rekenen.

4.6. Uit 4.5 volgt dat zowel het besluit waarbij de aanloopfase als het besluit waarbij de aflosfase is gestart in rechte onaantastbaar is, hetgeen betekent dat de juistheid van deze besluiten niet meer ter toets staat.

De omstandigheid dat de IB-Groep op basis van door de Raad gevormde rechtspraak als genoemd in 3 de terugbetalingsperiode van 1 september 2004 tot en met 17 juli 2006 heeft opgeschort, omdat appellant in die periode studeerde, doet aan het vorenstaande niet af. Nu appellant per 1 augustus 2006 niet langer studeerde, bestond er in ieder geval vanaf dat moment niet langer aanleiding voor opschorting.

4.7. Het gevolg van de beëindiging van de opschorting in dit geval is dat de situatie tot aan 1 september 2004 herleeft.

Het standpunt van appellant dat het beëindigen van de opschorting dient te leiden tot het opnieuw starten van de terugbetalingsperiode, omdat uit de inmiddels door de Raad gevormde rechtspraak volgt dat de IB-Groep de aanloopfase en aflosfase op een onjuist moment heeft doen starten, gaat voorbij aan hetgeen is overwogen in 4.6.

4.8. Tussen partijen is overigens niet in geschil dat – uitgaande van 4.7 – de wijze waarop de beëindiging van de opschorting en de wijze van herstart van de terugbetalingsperiode hebben plaatsgevonden niet onjuist zijn.

4.9. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.10. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

EF