Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08-1596 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat in de hiervoor opgenomen bepalingen van de Iw voorschriften zijn gegeven over de wijze waarop een deugdelijke dwanginvordering dient plaats te vinden, alsmede over de rechtsbescherming ter zake. Ingevolge artikel 19, vierde lid, in verbinding met artikel 17 van de Iw, kan appellant als eiser een verzetdagvaarding uitbrengen tegen de ambtenaar van het waterschap belast met de invordering van waterschapsbelastingen, waardoor hij aan de civiele rechter zijn grief kan voorleggen dat hij door de dwanginvordering niet langer de beschikking heeft over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. Deze procedure schorst de tenuitvoerlegging van de dwanginvordering. Desgevraagd heeft appellant ter zitting meegedeeld dat door hem geen procedure als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de Iw is gestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1596 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 februari 2008, 07/442 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 10 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 15 april 2008 heeft mr. A.M.I. Spauwen, advocaat te Sittard, de gronden van het beroep aangevuld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spauwen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

De Raad heeft na de zitting het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 11 december 2008 heeft de Svb nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving ten tijde in geding een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.3. Namens het waterschap Roer en Overmaas (het waterschap) heeft W.C. Fiddelaers, hoofd van de Unit Waterschapsheffingen van het Waterschapsbedrijf Limburg, op 5 december 2006 onder de Svb een dwanginvordering in de zin van artikel 19 van de Invorderingswet 1990 (Iw) gedaan ten bedrage van € 112,98. De dwanginvordering treft de nabestaandenuitkering van appellant en vloeit voort uit de door appellant niet betaalde aanslag waterschapsbelasting over 2006. Daarbij is gevorderd het deel van de uitkering van appellant dat meer bedraagt dan de beslagvrije voet over te maken aan het Waterschapsbedrijf Limburg. De Svb heeft op 6 februari 2006 (lees: 2007) een afdrachtbevestiging geretourneerd aan het Waterschapsbedrijf Limburg. Daarop is onder meer aangegeven dat eenmalig een bedrag op de uitkering om appellant zal worden ingehouden. Voorts is daarbij vermeld dat er ten bate van belastingdienst als eerste beslaglegger al een beslag rust op de uitkering van appellant.

1.4. Bij besluit van 9 januari 2007 heeft de Svb de uitbetaling van de nabestaandenuitkering aan appellant in januari 2007, na een verrekening van € 242,45, verlaagd naar een bedrag van € 590,40 per maand. Daarbij is aangegeven dat door het waterschap beslag is gelegd op de nabestaandenuitkering van appellant en dat hij minimaal de beslagvrije voet ontvangt. Het bedrag van € 242,45 is bestemd voor een periodieke betaling aan de Belastingdienst Roermond van € 129,47 en een eenmalige betaling aan het waterschap van € 112,98.

1.5. De Svb heeft bij brief van 9 januari 2007 aan het waterschap medegedeeld dat beslag is gelegd op de nabestaandenuitkering van appellant en dat een bedrag van € 112,98 aan het waterschap wordt overgemaakt zodat de schuldsom is voldaan.

1.6. Appellant heeft op 25 januari 2007 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2007 en aangegeven dat de Svb is uitgegaan van een te lage beslagvrije voet. Appellant heeft aangegeven dat hij geen andere inkomsten heeft dan zijn ANW-uitkering en dat bij een inhouding van € 242,45 zijn inkomen tot onder de beslagvrije voet daalt. Daarbij heeft appellant onder meer overgelegd een door hem aan het waterschap gezonden brief van 17 januari 2007 en het antwoord daarop van het waterschap van 22 januari 2007, waarin het waterschap appellant heeft bevestigd dat een beslagvrije voet moet worden gerespecteerd, hetgeen voor zover zij heeft kunnen beoordelen is gebeurd.

1.6. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat appellant feitelijk bezwaar maakt tegen de hoogte van het beslag op zijn ANW-uitkering. Voor bezwaar inzake de geldigheid van het beslag, de hoogte van het beslag of de hoogte van de beslagvrije voet dient appellant zich tot de beslaglegger te wenden. De Svb is uitsluitend verantwoordelijk voor een juiste betaling van de ANW-uitkering na aftrek van het beslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 februari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad geoordeeld dat de Svb gehouden is medewerking te verlenen aan het beslag en dat het niet op zijn weg ligt de geldigheid daarvan te beoordelen. De Svb is met zijn betalingsbeslissing van 9 januari 2007 gebleven binnen de grenzen van het door het waterschap gelegde beslag, waarbij op basis van de opgave van het waterschap de beslagvrije voet op € 543,56 is gesteld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat de Svb een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de uitvoering van het beslag en bij de vaststelling van de beslagvrije voet. De Svb had aan het waterschap moeten doorgeven dat er al een beslag van de belastingdienst op zijn uitkering lag. Appellant heeft een berekening van de Krediet Bank Limburg (KBL) van 9 november 2006 overgelegd waarbij de beslagvrije voet voor appellant is berekend op € 760,22. Appellant heeft voorts gesteld dat de Svb jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld door in het besluit van 9 januari 2007 weliswaar aan te geven dat hij minimaal de beslagvrije voet zal ontvangen, maar daar tegelijkertijd niet naar te handelen. Appellant heeft aangegeven dat de gemachtigde van de Svb ter zitting van de rechtbank heeft toegegeven dat minder is uitbetaald dan de beslagvrije voet. Appellant heeft de Raad ten slotte verzocht te beslissen dat de Svb aan hem een bedrag van € 59,81 dient terug betalen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Artikel 19, eerste lid, aanhef onder b, van de Iw, opgenomen in Hoofdstuk III, Dwanginvordering, luidt als volgt:

“1. Een derde die:

b. uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;

(…)

verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op een vordering van de ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag.”

4.3. Artikel 19, derde lid, van de Iw luidt als volgt:

“3. De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. (….).”

4.4. Artikel 19, vierde lid, van de Iw luidt als volgt:

“4. De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.”

4.5. Artikel 19, vijfde lid, van de Iw luidt als volgt:

“5. Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. (…)Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.”

4.6. Artikel 17, van de Iw, luidt voor zover van belang als volgt:

“1. De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd.

(…)

2. Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

(….).”

4.7. Artikel 123, tweede lid en derde lid van de Waterschapswet luidt, voor zover van belang, als volgt:

“2. Onverminderd het overigens in dit hoofdstuk bepaalde geschieden de heffing en de invordering van waterschapsbelastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.

3. Onverminderd het overigens in dit hoofdstuk bepaalde, gelden de bevoegdheden en verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de waterschapsbelastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:

(….)

c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de ambtenaar van het waterschap, belast met de invordering van waterschapsbelastingen.”

4.8. De Raad stelt vast dat in de hiervoor opgenomen bepalingen van de Iw voorschriften zijn gegeven over de wijze waarop een deugdelijke dwanginvordering dient plaats te vinden, alsmede over de rechtsbescherming ter zake. Ingevolge artikel 19, vierde lid, in verbinding met artikel 17 van de Iw, kan appellant als eiser een verzetdagvaarding uitbrengen tegen de ambtenaar van het waterschap belast met de invordering van waterschapsbelastingen, waardoor hij aan de civiele rechter zijn grief kan voorleggen dat hij door de dwanginvordering niet langer de beschikking heeft over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. Deze procedure schorst de tenuitvoerlegging van de dwanginvordering. Desgevraagd heeft appellant ter zitting meegedeeld dat door hem geen procedure als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de Iw is gestart.

4.9. De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de Svb gehouden is aan de dwanginvordering medewerking te verlenen en het in het algemeen niet op zijn weg ligt de geldigheid daarvan te beoordelen. Dit is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. De toetsing van de Raad kan derhalve niet verder strekken dan het beantwoorden van de vraag of de Svb bij het nemen van de beslissing gebleven is binnen het kader van de dwanginvordering. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord.

4.10. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

mm