Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
09-5756 AW-VV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb. De voorzieningenrechter ziet niet in dat uitvoering van de aangevallen uitspraak leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke (financiële) problemen of onverantwoorde risico’s. Weliswaar is verzoeker op grond van de aangevallen uitspraak verplicht tot nabetaling van het salaris aan betrokkene, maar dat salaris kan worden teruggevorderd indien het hoger beroep van verzoeker slaagt en het bestreden besluit in stand wordt gelaten, omdat dan de juridische grondslag aan die nabetaling komt te ontvallen. Door verzoeker zijn geen gegevens naar voren gebracht die duiden op de aanwezigheid van een bijzonder verhaalsrisico bij betrokkene. Evenmin kan worden ingezien dat de herleving van betrokkenes status van herplaatsingskandidaat leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke problemen. De verwachting dat er geen andere passende functie voor betrokkene zal kunnen worden gevonden en de eventuele consequenties daarvan zijn omstandigheden die behoren tot het normale risico van een bestuursorgaan en vormen geen reden om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter derhalve niet een voldoende spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5756 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Justitie (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 juli 2009, 08-832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2009. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A.J. Hes-Roeleveld, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. B.F.M. Kievitsbosch, advocaat te Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was vóór 2007 gedurende 40 uur per week werkzaam als inrichtingsarts bij verzoeker, te weten gedurende 18 uur per week bij [naam inrichting] te [vestigingsplaats] en gedurende 22 uur per week bij de [naam kliniek]. Daarnaast voerde betrokkene vanaf 1993 als zelfstandige een huisartsenpraktijk in [vestigingsplaats]. Aan de benoemingen als inrichtingsarts was (en is) de voorwaarde verbonden van het behoud van de registratie als huisarts. In verband met sluiting van het [inrichting] per 1 januari 2007 is de functie van betrokkene aldaar vervallen en is hij met ingang van 15 januari 2007 aangewezen als herplaatsingskandidaat. Daarbij is aangegeven dat getracht zal worden betrokkene in zijn eigen functie te plaatsen binnen de regio Noord.

1.2. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft verzoeker betrokkene met ingang van 1 september 2007 onder toepassing van artikel 49g, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) geplaatst in de functie van inrichtingsarts bij de [naam inrichting 2] gedurende 18 uur per week. Betrokkene heeft te kennen gegeven zich niet voor die functie beschikbaar te stellen. Hij acht die functie niet passend, omdat deze niet valt te combineren met zijn huisartsen-praktijk en zijn functie bij de [naam kliniek].

1.3. Bij besluit van 25 september 2007 heeft verzoeker onder toepassing van artikel 14 van het ARAR de bezoldiging van betrokkene met onmiddellijke ingang stop gezet, omdat betrokkene in strijd met zijn verplichting opzettelijk heeft nagelaten zich beschikbaar te stellen voor de functie in [inrichting 2].

1.4. Bij besluit van 10 januari 2008 is betrokkene onder toepassing van artikel 49l, eerste en tweede lid, van het ARAR ontslag verleend, omdat betrokkene heeft geweigerd te voldoen aan de hem in het kader van de reorganisatie opgelegde verplichting tot het aanvaarden van een passende functie.

1.5. Bij besluit op bezwaar van 25 juli 2008 heeft verzoeker de door betrokkene tegen voornoemde besluiten ingediende bezwaarschriften, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de besluiten van 21 augustus 2007, 25 september 2007 en 10 januari 2008 herroepen. De rechtbank was van oordeel dat de functie bij [inrichting 2] niet kan worden aangemerkt als een passende functie als bedoeld in artikel 49h van het ARAR. Als gevolg hiervan kwam ook aan de overige besluiten de rechtsgrond te ontvallen. De rechtbank veroordeelde verzoeker voorts in de proceskosten van betrokkene en tot het betalen van de wettelijke rente over de niet tijdig betaalde bezoldiging.

2.2. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de aangevallen uitspraak tot het moment waarop in de bodemzaak uitspraak is gedaan.

2.3. Ter ondersteuning van zijn spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat hij als gevolg van de aangevallen uitspraak dubbele kosten moet maken, omdat naast de kosten die hij thans maakt voor het laten uitvoeren van betreffende functie in [inrichting 2], ook de bezoldiging van betrokkene (met terugwerkende kracht) zal moeten worden hervat. Daarnaast betekent uitvoering van de aangevallen uitspraak dat de status van herplaatsingskandidaat voor betrokkene herleeft en verzoeker gedurende de resterende herplaatsingstermijn alsnog een passende functie aan betrokkene zal moeten aanbieden. Verzoeker voorziet dat er geen andere passende functie voor betrokkene zal zijn, waardoor verzoeker zich genoodzaakt zal zien om betrokkene reorganisatieontslag te verlenen. Dit lijkt niet in betrokkenes belang te zijn en druist ook in tegen het Justitie beleid dat erop gericht is om medewerkers die als herplaatsingskandidaat worden aangewezen van werk naar werk te helpen.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, maar daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake.

3.3. De voorzieningenrechter ziet niet in dat uitvoering van de aangevallen uitspraak leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke (financiële) problemen of onverantwoorde risico’s. Weliswaar is verzoeker op grond van de aangevallen uitspraak verplicht tot nabetaling van het salaris aan betrokkene, maar dat salaris kan worden teruggevorderd indien het hoger beroep van verzoeker slaagt en het bestreden besluit in stand wordt gelaten, omdat dan de juridische grondslag aan die nabetaling komt te ontvallen. Door verzoeker zijn geen gegevens naar voren gebracht die duiden op de aanwezigheid van een bijzonder verhaalsrisico bij betrokkene.

3.4. Evenmin kan worden ingezien dat de herleving van betrokkenes status van herplaatsingskandidaat leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke problemen. De verwachting dat er geen andere passende functie voor betrokkene zal kunnen worden gevonden en de eventuele consequenties daarvan zijn omstandigheden die behoren tot het normale risico van een bestuursorgaan en vormen geen reden om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen.

3.5. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter derhalve niet een voldoende spoedeisend belang. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb zal daarom worden afgewezen.

4. De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verzoeker te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand, € 42,74 aan reiskosten en € 364,- aan verletkosten (te weten 7 uur à € 52,-), zijnde een totaalbedrag van € 728,74.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 728,74.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

BvW