Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
09-2172 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand vanaf 27 januari 2005 naar de voor hem toepasselijke norm. De Raad heeft - anders dan de rechtbank en het College - in de namens appellant overgelegde (medische) gegevens voldoende aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het uitgangspunt rechtvaardigen. De Raad verwijst in dit verband met name naar de door appellant overgelegde verklaring van Mentrum van 25 maart 2005 en de brief van Blankenberg Stichting van 12 december 2007. Uit de verklaring van Mentrum blijkt dat bij appellant op 24 maart 2005 een manisch ontremd dysfoor beeld werd geconstateerd en appellant als gevolg hiervan geagiteerd gedrag vertoonde. Uit de brief van Blankenberg blijkt dat appellant in de periode na zijn aanmelding op 7 maart 2005 bij de afdeling maatschappelijk werk aldaar, bij verschillende instanties heeft getracht hulp te ontvangen, welke hulp mede was gericht op het verkrijgen van bijstand. Uit een brief van Stichting Kruispost van 9 mei 2006 blijkt dat na diverse pogingen appellant bij te staan bij zijn hulpvragen, uiteindelijk door hun bemiddeling eind november/begin december 2005 de aanvraag van appellant van 13 september 2005 heeft geresulteerd tot toekenning van bijstand met ingang van 8 september 2005. Naar het oordeel van de Raad komt genoegzaam naar voren dat appellant als gevolg van zijn psychische problematiek niet in staat was gedurende de periode voorafgaande aan zijn aanvraag van 13 september 2005 op toereikende wijze mee te werken aan datgene dat nodig was voor het indienen van zijn aanvraag naar aanleiding van de melding bij het CWI van 27 januari 2005 noch in staat was gedurende deze periode adequate hulp hierbij te zoeken. Vernietiging uitspraak. Herroeping primaire besluit.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2172 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2009, 08/3684 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Dorgelo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dorgelo. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 27 januari 2005 bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van deze melding hebben op 9 februari 2005 en 8 april 2005 gesprekken met appellant plaatsgevonden doch deze hebben niet geleid tot het innemen van een aanvraag. Een gepland vervolggesprek op 13 april 2005 heeft na telefonisch contact met appellant op 11 april 2005 geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft het College appellant bij brief van 8 juni 2005 bevestigd dat hij op 11 april 2005 heeft aangegeven zijn aanvraag te willen intrekken en appellant voorts in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken aan te geven of hij alsnog verdere behandeling van zijn aanvraag wenste. Appellant heeft niet gereageerd op deze brief.

1.2. Op 8 september 2005 heeft appellant zich wederom gemeld bij het CWI en op 13 september 2005 een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om toekenning van de bijstand met terugwerkende kracht tot januari 2005. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 24 november 2005, waarbij appellant met ingang van

8 september 2005 bijstand is toegekend.

1.3. Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het College het tegen de ingangsdatum gerichte bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld om de bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat hem uit de gedingstukken niet is gebleken dat de melding bij het CWI op 27 januari 2005 heeft geresulteerd in het indienen door appellant van een schriftelijke aanvraag om bijstand, zodat thans ter beoordeling geen eerdere bijstandsaanvraag voorligt dan die van 13 september 2005.

4.2. Dit betekent dat tussen partijen nog in geschil is de door het College gehandhaafde weigering om aan de toekenning van de bijstand terugwerkende kracht te verlenen tot

27 januari 2005.

4.3. In artikel 44, eerste lid van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van deze bepaling wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.5. De Raad heeft - anders dan de rechtbank en het College - in de namens appellant overgelegde (medische) gegevens voldoende aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het onder 4.4 geformuleerde uitgangspunt rechtvaardigen. De Raad verwijst in dit verband met name naar de door appellant overgelegde verklaring van Mentrum van 25 maart 2005 en de brief van Blankenberg Stichting van 12 december 2007. Uit de verklaring van Mentrum blijkt dat bij appellant op 24 maart 2005 een manisch ontremd dysfoor beeld werd geconstateerd en appellant als gevolg hiervan geagiteerd gedrag vertoonde. Daarbij werd in het kader van de Classificatie DSM IV op As V een GAF-score van slechts 30 vermeld. Uit de brief van Blankenberg blijkt dat appellant in de periode na zijn aanmelding op 7 maart 2005 bij de afdeling maatschappelijk werk aldaar, bij verschillende instanties heeft getracht hulp te ontvangen, welke hulp mede was gericht op het verkrijgen van bijstand. Uit een brief van Stichting Kruispost van 9 mei 2006 blijkt dat na diverse pogingen appellant bij te staan bij zijn hulpvragen, uiteindelijk door hun bemiddeling eind november/begin december 2005 de aanvraag van appellant van 13 september 2005 heeft geresulteerd tot toekenning van bijstand met ingang van 8 september 2005.

4.6. Uit deze gegevens in onderlinge samenhang bezien komt naar het oordeel van de Raad genoegzaam naar voren dat appellant als gevolg van zijn psychische problematiek niet in staat was gedurende de periode voorafgaande aan zijn aanvraag van 13 september 2005 op toereikende wijze mee te werken aan datgene dat nodig was voor het indienen van zijn aanvraag naar aanleiding van de melding bij het CWI van 27 januari 2005 noch in staat was gedurende deze periode adequate hulp hierbij te zoeken.

4.7. Het voorgaande betekent dat het besluit van 14 augustus 2008, voor zover dit ziet op de gehandhaafde weigering appellant met terugwerkende kracht bijstand te verlenen, niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 14 augustus 2008 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Nu dit gebrek in bezwaar niet meer kan worden geheeld, ziet de Raad voorts aanleiding om met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat aan appellant vanaf 27 januari 2005 bijstand wordt toegekend naar de voor hem toepasselijke norm.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 augustus 2008;

Herroept het besluit van 24 november 2005;

Bepaalt dat aan appellant vanaf 27 januari 2005 bijstand wordt toegekend naar de voor hem toepasselijke norm;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm