Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08-2586 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhouding maandelijks bedrag op de WAO-uitkering. Met betrekking tot het gelegde beslag stelt de Raad vast dat in de onderhavige zaak, gelet op de gedingstukken, sprake is van een vereenvoudigd derdenbeslag, gelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De Raad wijst dienaangaande op artikel 14f, negende lid, van de Algemene bijstandswet en op artikel 60, vierde lid, van de Wet werk en bijstand alsmede de in deze artikelen genoemde verwijzingen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op juiste gronden gehoor gegeven aan het verzoek tot beslaglegging door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam. Ingevolge deze wettelijke bepalingen is een tussenkomst door de rechter, zoals door appellant bepleit, niet voorgeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2586 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2008, 07/1039 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij brief van 27 november 2006 is namens het College van Burgermeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam aan het Uwv meegedeeld dat derdenbeslag wordt gelegd op de uitkering die appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van het Uwv ontvangt. Het betreft een vordering op appellant ter zake van verleende bijstand, waarop appellant een betalingsachterstand heeft. De hoogte van deze vordering was € 18.068,39 en ten tijde van de beslaglegging bedroeg deze € 18.501,78. Aan het Uwv is verzocht om maandelijks het gedeelte dat de beslagvrije voet, die voor appellant is vastgesteld op € 760,09, te boven gaat, op de WAO-uitkering in te houden totdat de schuld is voldaan.

1.3. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Uwv op 30 november 2006 te kennen gegeven ingaande 1 december 2006 een bedrag van € 225,19 per maand in te houden ten behoeve van de gemeente Rotterdam.

1.4. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat ingaande 1 december 2006 maandelijks een bedrag van € 225,19 wordt inhouden op de WAO-uitkering ter voldoening van voornoemde schuld.

1.5. Bij ongedateerde brief, ontvangen door het Uwv op 16 januari 2007, heeft appellant tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 26 februari 2007, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen herhaald. Appellant betwist - kort samengevat - de vordering van de gemeente Rotterdam en stelt dat hij nooit een bedrag van € 18.068,39 aan verleende bijstand heeft ontvangen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De gronden die door appellant in hoger beroep naar voren zijn gebracht betreffen met name de hoogte van de vordering. De Raad wijst erop dat deze gronden in onderhavige procedure niet (meer) aan bod kunnen komen. In dit verband wijst de Raad op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2006, registratienummer 06/205, waarbij appellants beroep tegen het besluit inzake de herziening van appellants uitkering op grond van de Algemene bijstandswet/ de Wet werk en bijstand alsmede de daaruit voortvloeiende terugvordering, ongegrond is verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 9 december 2008 door de Raad niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze uitspraak is door de Raad op 10 juni 2009 ongegrond verklaard. Hiermee staat de vordering in rechte vast.

4.3. Met betrekking tot het gelegde beslag stelt de Raad vast dat in de onderhavige zaak, gelet op de gedingstukken, sprake is van een vereenvoudigd derdenbeslag, gelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De Raad wijst dienaangaande op artikel 14f, negende lid, van de Algemene bijstandswet en op artikel 60, vierde lid, van de Wet werk en bijstand alsmede de in deze artikelen genoemde verwijzingen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op juiste gronden gehoor gegeven aan het verzoek tot beslaglegging door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam. Ingevolge deze wettelijke bepalingen is een tussenkomst door de rechter, zoals door appellant bepleit, niet voorgeschreven.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ