Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08-3722 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. De schriftelijke waarschuwing is gebaseerd op de opvatting dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling (...). Appellant is afwisselend wel en niet verschenen op afspraken en heeft zich voor de afspraak van 28 augustus 2006 afgemeld met een niet deugdelijke reden. Niet met objectieve medische gegevens aangetoond dat hij op grond van zijn medische situatie niet in staat was de afspraak op 28 augustus 2006 na te komen en met het traject te starten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3722 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2008, 07/1562 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. S.J. Brunia, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brunia. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 8 november 1990 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en Bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 15 november 2006 heeft het College geconstateerd dat appellant nalatig is geweest door het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het College aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b en artikel 10, eerste lid van de WWB en dat daarom de bijstand over de periode van 1 december 2006 tot 1 januari 2007 eigenlijk met 20% zou moeten worden verlaagd. Het College heeft echter besloten deze verlaging niet door te voeren. Daarbij heeft het College gesteld dat een volgend verzuim aangemerkt kan worden als een herhaling en dat voor die herhaling een zwaardere maatregel kan worden opgelegd.

1.3. Bij besluit van 23 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het College het tegen het besluit van 15 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het verzoek om met toepassing van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te vergoeden is afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad ziet zichzelf allereerst voor de vraag gesteld of appellant thans nog belang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Het College heeft in zijn verweerschrift van 28 augustus 2008 het procesbelang van appellant in twijfel getrokken. Door het verloop van de tijd is gebleken dat binnen twaalf maanden na het besluit van 15 november 2006 geen zwaardere maatregel is opgelegd en, gelet op de in artikel 3, tweede lid, van de Afstemmingsverordening Wet werk en Bijstand genoemde termijn van twaalf maanden, ook niet meer kan worden opgelegd.

4.1.2. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat appellant een belang is blijven behouden bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, aangezien hij in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en deze vergoeding is geweigerd. Voor het antwoord op de vraag of het College dit verzoek terecht heeft afgewezen, dient, gelet op artikel 7:15, twee lid, eerste volzin, van de Awb, onderzocht te worden of het besluit appellant een waarschuwing op te leggen in rechte stand kan houden (vergelijk de uitspraken van 27 maart 2009,

LJN BH9365 en 13 oktober 2009 LJN BK0681). Ook in hoger beroep heeft appellant om vergoeding van deze kosten verzocht.

4.2. Ter zake van de formele grieven van appellant overweegt de Raad het volgende.

4.2.1. De stelling van appellant dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte als besluit heeft aangemerkt, omdat er volgens de tekst slechts sprake is van een advies, volgt de Raad niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij geen aanleiding had de uitleg van het College dat de zinsnede onder het kopje conclusie: “op grond van het voorgaande adviseren wij dan ook”, abusievelijk is opgenomen en er geen sprake is van een advies, anders te zien. Daar voegt de Raad aan toe dat ook uit de weigering vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen en gelet op de beroepsclausule onder het besluit, afgeleid kan worden dat genoemde zinsnede kennelijk bij vergissing is vermeld.

4.2.2. De stelling dat de rechtbank ten onrechte het aanvullend verweerschrift van het College van 4 januari 2008 bij zijn beoordeling heeft meegewogen, volgt de Raad evenmin. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat het procesbelang van appellant niet is geschaad door het later dan tot tien dagen voor de zitting indienen van verweerders (aanvullend) verweerschrift. Daarbij merkt de Raad op dat het College in zijn aanvullend verweerschrift geen standpunten heeft ingenomen die niet reeds bij appellant bekend waren en appellant genoegzaam in de gelegenheid is geweest op deze standpunten te reageren.

4.3. De Raad komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling.

4.3.1. Voor de in dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.3.2. De op 15 november 2006 door het College aan appellant gegeven schriftelijke waarschuwing is gebaseerd op de opvatting dat hij onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en daarmee niet heeft voldaan aan één of meer verplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB. Appellant stelt zich op het standpunt dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

4.3.3. Vast staat dat appellant in juli 2006 in het kader van zijn re-integratie is aangemeld om deel te nemen aan het traject Gemeenschapstaken van Vak & Werk Rijnmond. Appellant heeft een eerste uitnodiging voor een intakegesprek op 27 juli 2006 afgezegd in verband met klachten door een kaakontsteking. Tijdens het intakegesprek op 22 augustus 2006, waar hij wel is verschenen, heeft hij meegedeeld dat hij niet van plan is om aan het traject deel te nemen omdat hij zich daartoe lichamelijk niet in staat voelde, vanwege de klachten door kaakontsteking. Appellant heeft een oproep gekregen om op 28 augustus 2006 te starten met de zogenoemde diagnosefase van het traject. Appellant is niet op deze oproep verschenen, maar heeft zich afgemeld in verband met een afspraak bij de kaakchirurg. Achteraf is gebleken dat appellant niet op 28 augustus maar op 29 augustus 2006 voor behandeling bij de kaakchirurg is geweest.

4.3.4. Uit het voorgaande volgt dat appellant afwisselend wel en niet is verschenen op afspraken en dat hij zich voor de afspraak van 28 augustus 2006 heeft afgemeld met een niet deugdelijke reden. Onder die omstandigheden had het op zijn weg gelegen om met objectieve medische gegevens aan te tonen dat hij op grond van zijn medische situatie niet in staat was de afspraak op 28 augustus 2006 na te komen en met het traject te starten. Appellant heeft dat niet gedaan, zodat het College heeft kunnen concluderen dat hij verwijtbaar niet is verschenen op de oproep voor 28 augustus 2006 en aldus onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op re-integratie.

4.3.5. Hetgeen onder 4.3.2 tot en met 4.3.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, waarbij de waarschuwing van 15 november 2006 is gehandhaafd en het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase is afgewezen, stand houdt. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het hoger beroep slaagt niet.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm