Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08-1972 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De in dit geval aan appellant opgelegde verplichting, te weten: het aantoonbaar zich onderwerpen aan een behandeling voor zijn psychische problematiek, ziet op zichzelf niet op het verstrekken en verifiëren van inlichtingen, maar betreft een specifieke verplichting als bedoeld in artikel 55 van de WWB. Bij het verwijtbaar niet nakomen van een dergelijke verplichting is het College gehouden op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, in samenhang met de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bedoelde verordening, de bijstand te verlagen en kan niet in plaats daarvan gebruik worden gemaakt van de in artikel 54, vierde lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot intrekking van de bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1972 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 februari 2008, 07/126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Uland, werkzaam bij de gemeente Winterswijk. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Per brief van 20 oktober 2009 heeft het College de Raad bericht het eerder ingenomen standpunt te handhaven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert jaren bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en laatstelijk berekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek heeft het College bij besluit van 30 juni 2006 appellant voor de duur van een half jaar ontheffing verleend van de verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Bij dat besluit heeft het College tevens op grond van artikel 55 van de WWB aan appellant de verplichting opgelegd dat hij zich onderwerpt aan een behandeling voor zijn psychische problematiek en dat hij zijn contactpersonen bij Hameland Arbeidsintegratie en de gemeente op de hoogte houdt van het verloop daarvan. Daarbij is gespecificeerd dat appellant in de week van 26 juni tot 1 juli 2006 een afspraak zal hebben gemaakt met een instelling voor geestelijke gezondheidszorg en dat hij de datum van de afspraak en de naam van de behandelaar zal doorgeven. Aan deze verplichting heeft appellant, ook na de rappelbrief van 25 juli 2006, niet voldaan. Om die reden heeft het College bij besluit van 4 augustus 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 2 augustus 2006 opgeschort en appellant op grond van het tweede lid van dit artikel de gelegenheid geboden vóór 10 augustus 2006 de ontbrekende gegevens schriftelijk in te leveren bij de afdeling sociale zaken van de gemeente Winterswijk.

1.3. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 2 augustus 2006 ingetrokken omdat appellant binnen de gegeven hersteltermijn zijn verplichtingen niet alsnog is nagekomen.

1.4. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.2. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB - voor zover hier van belang - kan, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college van de opschorting mededeling doet aan de belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.3. Zoals de Raad al eerder overwogen, waaronder in de uitspraken van 30 januari 2007, LJN AZ8403, en van 8 januari 2008, LJN BC2387, ligt de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB in het verlengde van de algemene inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB en dient deze in samenhang daarmee te worden bezien. In genoemde uitspraken is tevens overwogen dat de aan de zinsnede “anderszins (…) medewerking verleent” in artikel 54, eerste lid, van de WWB geen ruimere strekking toekomt dan aan de in artikel 17, tweede lid, van de WWB neergelegde verplichting. De in dit geval aan appellant opgelegde verplichting, te weten: het aantoonbaar zich onderwerpen aan een behandeling voor zijn psychische problematiek, ziet op zichzelf niet op het verstrekken en verifiëren van inlichtingen, maar betreft een specifieke verplichting als bedoeld in artikel 55 van de WWB. Bij het verwijtbaar niet nakomen van een dergelijke verplichting is het College gehouden op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, in samenhang met de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bedoelde verordening, de bijstand te verlagen en kan niet in plaats daarvan gebruik worden gemaakt van de in artikel 54, vierde lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot intrekking van de bijstand.

4.5. Op grond van het voorgaande kan het besluit van 21 december 2006 geen stand houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 21 december 2006 wegens strijd met de wet vernietigen en het College opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 december 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van

25 september 2006 neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, waarvan € 322,-- te betalen aan de griffier van de Raad en € 644,-- te betalen aan appellant;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giesen.

mm