Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08-5237WAO+08-5238WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (25 tot 35%). De verzekeringsarts heeft appellant geschikt geacht voor rugbesparende werkzaamheden en heeft dienovereenkomstig een FML opgesteld. Nu van de zijde van appellant – ook in hoger beroep – geen (medische) informatie is ingebracht die de Raad heeft doen twijfelen aan de vastgestelde beperkingen, is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van de bestreden besluiten in de aangevallen uitspraak terecht is onderschreven. De Raad kan appellant verder niet volgen in zijn stelling dat uit de weergave van het gesprek tussen de arbeidskundige en appellant op 11 januari 1999 volgt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot de appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schattingen ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant als passend moeten worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5237 WAO + 08/5238 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 juli 2008, 08/27 + 08/89 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft met de brieven van 29 september 2009 en 13 oktober 2009 nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009, waar beide partijen zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding relevante feiten naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 26 november 2007 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Enerzijds heeft het Uwv hierbij gehandhaafd zijn – in het kader van het aangepast Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434) genomen – besluit van 1 februari 2007, waarmee appellant in kennis is gesteld van het feit dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 februari 2007 onveranderd 25 tot 35% is gebleven. Anderzijds is de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 – in verband met een herbeoordeling in het kader van het oude Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) – opnieuw vastgesteld op 25 tot 35%. Dit besluit is met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd.

2.2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant per 10 oktober 1995, de datum waarop zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet een einde nam, uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO verzekerd was. Uit de gedingstukken heeft de rechtbank afgeleid dat aan de toekenning van de tot en met 2 oktober 1995 verstrekte WAO-uitkering de rugklachten van appellant ten grondslag lagen. In combinatie met de overige (medische) gedingstukken, waarbij met name aan de door psychiater J.C.A. Weijmar Schulz opgestelde rapportage van 24 januari 1998 een doorslaggevende betekenis is toegekend, heeft de rechtbank haar conclusie ontleend dat de psychische klachten bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid nimmer een rol van betekenis hebben gespeeld, zodat deze klachten met toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO bij de hier in geding zijnde beoordeling terecht door het Uwv buiten beschouwing zijn gelaten. Van een oorzakelijk verband tussen appellants rugklachten en zijn naderhand toegenomen psychische klachten is voorts niet gebleken.

2.2.2. De rechtbank heeft de beroepen zodoende ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant – zakelijke weergegeven – aangevoerd dat zijn medische beperkingen niet, althans onvoldoende, tot uitdrukking komen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts zijn de psychische klachten ten onrechte niet bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling meegenomen. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft appellant informatie ingebracht van de behandelende specialisten, van 19 september 1991 en 9 december 1992, en de arbeidsdeskundige, van 11 januari 1999, waaruit zou blijken dat appellant volledig arbeidsongeschikt is.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daar voor wat betreft de geclaimde toegenomen rugklachten nog het volgende aan toe. De verzekeringsarts heeft appellant geschikt geacht voor rugbesparende werkzaamheden en heeft dienovereenkomstig een FML opgesteld. Nu van de zijde van appellant – ook in hoger beroep – geen (medische) informatie is ingebracht die de Raad heeft doen twijfelen aan de vastgestelde beperkingen, is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van de bestreden besluiten in de aangevallen uitspraak terecht is onderschreven. De Raad kan appellant verder niet volgen in zijn stelling dat uit de weergave van het gesprek tussen de arbeidskundige en appellant op 11 januari 1999 volgt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Door de arbeidsdeskundige is namelijk een onderscheid gemaakt tussen de verzekerde klachten en de niet-verzekerde klachten. Op basis van de verzekerde klachten is appellant onveranderd 25 tot 35% arbeidsongeschikt beschouwd. Ook gelet op de ingebrachte informatie van de cardioloog van 19 september 1991, waarbij de Raad heeft geconstateerd dat deze informatie zich reeds onder de gedingstukken bevond, en 9 december 1992 is de Raad niet overtuigd van het feit dat de mogelijkheden van appellant zouden zijn overschat.

4.2. De met de brieven van 29 september 2009 en 13 oktober 2009 nagezonden stukken bevatten naar het oordeel van de Raad geen informatie ten aanzien van de in geschil zijnde herbeoordelingen. Ten aanzien van het tevens met de brief van 29 oktober 2009 toegezonden bewijs met betrekking tot het gebruik van pijnbestrijdende medicatie – naar de Raad begrijpt in het kader van de rugklachten – overweegt de Raad dat hieraan niet de waarde kan worden gehecht die appellant daaraan toegeschreven wil zien, reeds omdat de medicatie pas in november 2008, derhalve ruim na de data in geding, is voorgeschreven.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot de appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schattingen ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant als passend moeten worden beschouwd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.C.A. Wit.

IvR