Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08-3682 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging overeenkomst. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de minister het rapport niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Uit de motivering van dit besluit valt voldoende duidelijk af te leiden dat alleen de diverse verklaringen die in de eerste helft van januari 2007 zijn afgelegd bij het nemen ervan een, wezenlijke, rol hebben gespeeld. Daarom zal ook de Raad aan die hier bedoelde grieven van appellant voorbijgaan. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister, primair gelet op de in januari 2007 naar buiten gekomen problemen in de privésituatie van appellant, maar ook rekening houdende met diens mede in verband daarmee niet optimale functioneren, bevoegd was de overeenkomst te beëindigen. De Raad is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de minister niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomst gebruik heeft kunnen maken. Anders dan appellant heeft bepleit, houdt de overeenkomst niet in dat de minister gehouden was appellant een andere functie aan te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3682 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 mei 2008, 07/1334 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant, die in dienst was van de politieregio Zaanstreek-Waterland, werd in het kader van een ontslagregeling met ingang van 15 februari 2006 voor een periode van vijf jaar gedetacheerd bij het Korps landelijke politiediensten (hierna: Klpd). Het Klpd heeft hem vervolgens ter beschikking gesteld aan het Recherche Samenwerkingsteam Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: RST) in de functie van [naam functie], met als standplaats Curaçao. De voorwaarden van deze detachering/uitzending zijn onder andere vastgelegd in een overeenkomst die appellant op 13 februari 2006 heeft ondertekend (hierna: overeenkomst).

1.2. In de periode van mei 2005 tot in september 2005 heeft zich een aantal situaties voorgedaan waarin sprake was van samenwerkingsproblemen tussen appellant en andere medewerkers van de RST. Hierover werd bij twee gelegenheden met appellant gesproken. Bij de tweede maal, op 9 september 2006, kwam ook aan de orde dat er zich in zijn relatie met zijn partner B (hierna: B) problemen voordeden die ook zijn functioneren negatief beïnvloedden.

1.3. Op 11 januari 2007 heeft B aan een leidinggevende van appellant gemeld dat zij naar Nederland wilde terugkeren en dat appellant haar (in augustus 2006) had mishandeld, met een blauw oog als gevolg. Hierover is vervolgens met appellant en anderen gesproken. Die gesprekken hebben meegebracht dat de teamchef van de RST zijn vertrouwen in appellant heeft opgezegd.

1.4. Bij besluit van 16 februari 2007 is, gelet op de verklaringen die appellant, B en anderen hadden afgelegd, én op het gebleken onvoldoende functioneren van appellant, de overeenkomst met appellant beëindigd en is bepaald dat hij uiterlijk op 1 april 2007 in Nederland dient te zijn teruggekeerd.

1.5. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 februari 2007 is bij het bestreden besluit van 4 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover in hoger beroep aan de orde - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft in de eerste plaats zijn grief herhaald dat hij ten onrechte niet voorafgaande aan het besluit van 16 februari 2007 is gehoord, zodat gehandeld is in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieraan heeft hij toegevoegd dat dit gebrek in dit geval niet in de bezwaarschriftenprocedure hersteld is kunnen worden.

De Raad volgt appellant in dit betoog niet. De Raad volstaat ermee te verwijzen naar hetgeen de rechtbank ter zake in rechtsoverweging 12 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen, welke overweging hij overneemt en tot de zijne maakt.

3.2. Voorts heeft appellant grieven gericht tegen het onderzoek dat het Bureau Veiligheid en Integriteit van het Klpd in de tweede helft van januari 2007 op de Nederlandse Antillen heeft ingesteld naar eventueel door appellant gepleegd huiselijk geweld en tegen het rapport van 27 januari 2007 dat van dit onderzoek is opgemaakt.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de minister dit rapport niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Uit de motivering van dit besluit valt voldoende duidelijk af te leiden dat alleen de diverse verklaringen die in de eerste helft van januari 2007 zijn afgelegd bij het nemen ervan een, wezenlijke, rol hebben gespeeld. Daarom zal ook de Raad aan die hier bedoelde grieven van appellant voorbijgaan.

3.3. De beëindiging van de overeenkomst heeft de minister gebaseerd op artikel 1, eerste en derde lid, van de overeenkomst, waarin - voor zover hier van belang - is bepaald dat de Klpd de overeenkomst gedurende de looptijd kan beëindigen, indien de gedetacheerde niet naar behoren functioneert en/of de privésituatie van de gedetacheerde van dien aard zijn dat een langer verblijf op de Nederlandse Antillen onverantwoord is. Hierbij is primair in aanmerking genomen al wat in (de eerste helft van) januari 2007 in en met betrekking tot de privésituatie van appellant is voorgevallen.

3.4. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de kern van de problemen die appellant al in 2006 in zijn privésituatie ondervond, haar oorzaak vond in het feit dat B in “de West” niet goed kon aarden en keer op keer te kennen gaf naar Nederland te willen terugkeren. Volgens de ook voor appellant geldende regel “samen uit - samen thuis” zou dit betekenen dat ook hij naar Nederland zou moeten terugkeren en dat de overeenkomst zou worden beëindigd. Dit zou voor appellant tevens meebrengen dat hij werkloos zou zijn. Deze situatie bracht, zoals ook ter zitting aan de orde is gekomen, voor appellant spanningen mee die zich ook in zijn werk hebben geuit.

In januari 2007 zijn de problemen in de privésituatie van appellant geëscaleerd, toen B aan een leidinggevende van appellant zei naar Nederland terug te keren en aangaf door appellant te zijn mishandeld. In reactie daarop heeft appellant de mishandeling ontkend en voor de verwonding van zijn partner niet met elkaar overeenstemmende verklaringen gegeven. De teamchef van appellant heeft in die gang van zaken en het gebrek aan openheid van appellant reden gezien het vertrouwen in appellant op te zeggen.

3.5. Daarmee is appellant in een situatie terechtgekomen waarin hij volgens de Bijzondere afspraken integriteit RST, waarvan appellant op de hoogte was, niet had mogen terechtkomen. De Raad doelt op de regel dat de medewerker zichzelf of zijn gezinsleden niet in een sociaal- of emotioneel instabiele situatie manoeuvreert, waardoor de onafhankelijkheid of de taakuitoefening van hemzelf of het RST in gevaar kunnen komen. Het had, naar het oordeel van de Raad, op de weg van appellant gelegen voor de in rechtsoverweging 3.4 geschetste problemen in zijn privésituatie hulp te zoeken, juist ook omdat appellant er zo veel belang bij had bij de RST te blijven. Appellant heeft dit niet gedaan.

3.6. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minister, primair gelet op de in januari 2007 naar buiten gekomen problemen in de privésituatie van appellant, maar ook rekening houdende met diens mede in verband daarmee niet optimale functioneren, bevoegd was de overeenkomst te beëindigen. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat medio januari 2007 een feitelijke situatie voorlag waarin met appellant eerst tot onderling overleg gekomen had behoren te worden als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de overeenkomst.

De Raad is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de minister niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomst gebruik heeft kunnen maken. Anders dan appellant heeft bepleit, houdt de overeenkomst niet in dat de minister gehouden was appellant een andere functie aan te bieden.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet, voor zover zij in hoger beroep is aangevochten, worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD