Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08/3420 AW + 08/3421 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Nevenwerkzaamheden. Belangenverstrengeling. Appellant heeft het vertrouwen dat in hem als controleambtenaar van de Belastingdienst moest kunnen worden gesteld zeer beschaamd. Ten onrechte heeft appellant de nevenactiviteiten steeds ontkend of sterk gerelativeerd. Daarbij heeft hij aan gedeelten van de opgenomen gesprekken een uitleg pogen te geven die zich geheel niet verdraagt met inhoud en strekking ervan. In de gegeven omstandigheden is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van de appellant verweten gedragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3420 AW en 08/3421 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2008, 07/963 en 07/1965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Q.A. Witsen Elias, J.H.G. Campman, P.A. Pothof en M.P. Stadhouders, allen werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als controleambtenaar bij de Belastingdienst, regio Rijnmond/Rotterdam.

1.2. Bij brief van 9 juni 2006 heeft de staatssecretaris appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen wegens zeer ernstig plichtsverzuim. De staatssecretaris heeft daarbij, in hoofdzaak en kort weergegeven, opgemerkt het aannemelijk te vinden dat appellant verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht die leiden tot belangenverstrengeling, dat hij voor die werkzaamheden inkomsten heeft ontvangen waarover hij geen belasting heeft betaald, dat hij systemen van de Belastingdienst heeft gebruikt voor andere doeleinden dan het uitoefenen van zijn functie als belastingambtenaar en dat hij onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van zijn diensttelefoon. De staatssecretaris heeft hiertoe verwezen naar een door de FIOD/ECD opgemaakt overzichtsproces-verbaal van 1 november 2004.

Nadat appellant zijn zienswijze ter zake had gegeven en hij nog was gehoord, heeft de staatssecretaris hem bij besluit van 5 januari 2007 met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van de tweede dag na de datum van dit besluit de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Tegen dit besluit heeft appellant met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep bij de rechtbank ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer dit beroep van appellant ongegrond verklaard. Alleen tegen dit onderdeel van die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De rechtbank heeft in de uitvoerig gemotiveerde aangevallen uitspraak voor vrijwel alle gedragingen die de staatssecretaris appellant heeft verweten, geconcludeerd dat voldoende grond bestaat voor het oordeel dat appellant zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Voor de stelling van de staatssecretaris dat appellant voor zijn nevenwerkzaamheden geld heeft ontvangen, achtte de rechtbank evenwel onvoldoende steun aanwezig in het onder 1.2 vermelde overzichtsproces-verbaal. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en kan zich in hoofdlijnen ook vinden in de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.

3.2. De Raad overweegt nog dat de echtgenote van appellant een (klein) administratiekantoor heeft. Omdat vermoed werd dat appellant bemoeienis had met dit kantoor alsook met het administratiekantoor van de heer T, hebben opsporingsambtenaren van de FIOD/ECD in de periode maart-april 2004 door appellant gevoerde telefoongesprekken opgenomen en vervolgens uitgeluisterd. De uitgewerkte telefoongesprekken zijn neergelegd in processen-verbaal en het overzichtsproces-verbaal bevat een samenvatting hiervan. Tussen partijen geldt niet als betwist dat dit laatste proces-verbaal overeenkomt met de processen-verbaal die daarin zijn samengevat. Het overzichtsproces-verbaal is door twee opsporingsambtenaren op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt. Naar het oordeel van de Raad dient ervan te worden uitgegaan dat dit proces-verbaal correct is. Hieruit komt duidelijk naar voren dat appellant contacten had met klanten van beide genoemde administratiekantoren. Appellant verrichtte ook werkzaamheden van fiscale aard voor deze klanten. Zo deed hij aangiften voor de inkomstenbelasting en stelde hij een bezwaarschrift tegen een heffing van omzetbelasting op. Appellant heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling. Het betreft hier verboden nevenwerkzaamheden. Gebleken is ook dat van de 55 opgenomen uitgaande gesprekken die appellant met zijn mobiele telefoon van de Belastingdienst voerde er 32 een privé- karakter hadden.

3.3. Gezien het vorenstaande moet worden vastgesteld dat appellant ernstig plichts-verzuim heeft gepleegd. Hij heeft het vertrouwen dat in hem als controleambtenaar van de Belastingdienst moest kunnen worden gesteld zeer beschaamd. Ten onrechte heeft appellant de nevenactiviteiten steeds ontkend of sterk gerelativeerd. Daarbij heeft hij aan gedeelten van de opgenomen gesprekken een uitleg pogen te geven die zich geheel niet verdraagt met inhoud en strekking ervan. In de gegeven omstandigheden is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van de appellant verweten gedragingen.

3.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD