Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08-279 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na reorganisatie definitieve boventalligheid. Ontslag. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van het plaatsingsgesprek verwikkeld was in een al enige tijd slepend conflict met gedeputeerde staten over de omzetting van zijn functie als seniorbeleidsmedewerker (schaal 13) naar de Fuwaprov-functie van projectleider A (schaal 11), dat ook heeft geleid tot uitval wegens ziekte. (...). In de, overigens pas geruime tijd later, door de voorzitter van de plaatsingscommissie opgestelde verklaring is zelfs aangegeven dat appellant door het langlopende conflict volledig is geblokkeerd. De Raad is van oordeel dat de plaatsingscommissie onzorgvuldig heeft gehandeld door desondanks het plaatsingsgesprek doorgang te laten vinden en op basis van dat gesprek tot een advies te komen. Naast de onzorgvuldige gang van zaken (...) acht de Raad het niet aanvaardbaar dat aan de boventalligverklaring een advies ten grondslag ligt dat slechts is gebaseerd op één gesprek. Bovendien is dat advies onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd en dus niet naar behoren in rechte te toetsen, omdat het louter is gebaseerd op subjectieve oordelen. Dit klemt te meer nu de door appellant voor de reorganisatie uitgeoefende functie van projectleider A bijna identiek is aan de nieuwe functie van projectleider A. Overigens wijst de Raad er in dit verband op dat inmiddels vaststaat dat gedeputeerde staten destijds ten onrechte hebben besloten appellant de functie van projectleider A toe te delen. Zie uitspraak rechtbank Haarlem van 6 juli 2006, 05/3567. Geen schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/279 AW-(Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 november 2007, 07/3816 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 08/269 AW. Appellant is verschenen. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.J. Visser en mr. A.C.B.W. Doup, beiden werkzaam bij Vijverberg Juristen en door G.H.M. Nootebos en ir. M.P. Cuijpers, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaak wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In het Collegeprogramma 2003-2007 is vastgelegd dat de organisatie van de provincie Noord-Holland ingrijpend moet worden aangepast. Aan de directieraad is de opdracht verstrekt de bestaande organisatie om te bouwen tot een slagvaardige en kwalitatief hoogwaardige organisatie, waarbij ook het aantal arbeidsplaatsen moest afnemen.

In de nieuwe organisatie, zoals uitgewerkt in verschillende inrichtingsplannen, is sprake van vier clusters in plaats van 22 afdelingen. Alle functies in de oude organisatie zijn opgeheven en er zijn nieuwe functies met bijbehorende competentiesets vastgesteld. Ten einde de gevolgen van deze reorganisatie zo goed mogelijk op te vangen is het Sociaal Plan 2003-2007 (hierna: sociaal plan) tot stand gekomen. Van het sociaal plan maakt een plaatsingsprotocol deel uit. Op grond van het plaatsingsprotocol vindt het plaatsings-proces in drie ronden plaats. In de eerste ronde wordt nagegaan of sprake is van een identieke functie, dat wil zeggen een functie die op de functie-inhoud en functionele schaal volledig met de betrokken oude functie overeenkomt. Is geen sprake van een identieke functie, of van voldoende formatieruimte om als functievolger te worden geplaatst, dan wordt in een tweede ronde gezocht naar een passende functie binnen het cluster dat als opvolger wordt beschouwd van het oude organisatieonderdeel. Leidt ook dat niet tot plaatsing, dan wordt binnen de hele organisatie gezocht naar een passende functie. Indien plaatsing niet mogelijk is volgt boventalligverklaring.

1.2. Appellant was vóór de reorganisatie werkzaam als projectleider A bij de organisatie-eenheid WNLO/NLO. Met een brief van 8 juli 2005 is aan appellant een statusformulier toegezonden, inhoudende dat hij niet als functievolger is aangemerkt. Gedeputeerde staten hebben bij besluit van 15 mei 2006 het bezwaar van appellant tegen de beslissing hem niet als functievolger aan te merken, ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het besluit van 15 mei 2006 geen beroep ingesteld. In de tweede ronde is geconstateerd dat in het opvolgend cluster Beheer en Uitvoering (B&U) geen passende functie voor appellant beschikbaar is. In de derde ronde is evenmin een passende functie voor appellant gevonden. Bij besluit van 31 januari 2006 is appellant per 1 februari 2006 definitief boventallig verklaard. De boventalligverklaring is na bezwaar van appellant bij het thans bestreden besluit van 15 mei 2007 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de door de plaatsingscommissie gehanteerde procedure niet in strijd is met het plaatsingsprotocol, dat de gehele plaatsingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed en dat gedeputeerde staten terecht en op goede gronden hebben beslist appellant niet in de nieuwe organisatie te plaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een verkapt ongeschiktheidsontslag en ligt aan de boventalligheid niet een ongeschiktheid voor de oude functie, maar een ongeschiktheid/onbekwaamheid voor de nieuwe functie/organisatie ten grondslag.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep diverse grieven aangevoerd tegen het plaatsingsproces als zodanig en met betrekking tot zijn individuele situatie onder meer gesteld het niet acceptabel te vinden dat hij moest deelnemen aan een plaatsingsgesprek terwijl hij ziek was en medische beperkingen had. Appellant heeft tevens verzocht om schadevergoeding omdat in de bezwaarfase de termijn van 6 maanden ruimschoots is overschreden.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Nu appellant geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 15 mei 2006, staat vast dat appellant niet als functievolger is aangemerkt, zodat ter beoordeling van de Raad enkel de vraag staat of gedeputeerde staten terecht en op goede gronden hebben kunnen beslissen dat voor appellant geen passende functie aanwezig was.

3.2. De Raad stelt eerst vast dat de plaatsingsprocedure binnen de reorganisatie waarvan in deze procedure sprake is, afwijkt van de regels bij functietoedeling in een gewijzigde organisatie zoals neergelegd in de Regeling rechtspositionele aspecten bij organisatieveranderingen 2001 (RRAO). Op grond van de RRAO worden namelijk medewerkers direct als functievolgers geplaatst indien sprake is van een gelijksoortige functie. De afwijkende plaatsingsprocedure - het plaatsingsprotocol - is overeengekomen met de sociale partners en vastgelegd in het sociaal plan. De Raad ziet niet in dat het college niet bevoegd zou zijn tot vaststelling van het sociaal plan, dan wel dat het sociaal plan

anderszins niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Van de toepasselijkheid van het sociaal plan gaat de Raad dan ook uit.

3.3. In de tweede en derde ronde is op grond van het plaatsingsprotocol de passendheid van functies beoordeeld door verschillende plaatsingscommissies die zijn samengesteld uit de sectormanager (voorzitter), een aanpalend sectormanager (lid) en een HRM-adviseur (secretaris-adviseur). De plaatsingsgesprekken zijn gevoerd met als uitgangspunt de individuele functie met het daaraan gekoppelde competentieprofiel, maar niet in relatie tot de functie die een medewerker in de oude organisatie bekleedde. De plaatsingscommissies hebben getracht tijdens het plaatsingsgesprek en zo mogelijk op basis van eigen kennis, referenties, beoordelingen en andere informatiebronnen inzicht te krijgen of een kandidaat voldoet aan het competentieprofiel. Voor de plaatsingsgesprekken is een bepaalde gespreks-/selectiemethode gekozen met behulp waarvan alle plaatsingscommissies op dezelfde manier de gesprekken hebben gevoerd. De leden van de plaatsingscommissies zijn vooraf getraind in het toepassen van de methode. Na elke dag van plaatsingsgesprekken zijn de verschillende commissies (per directie) bijeengekomen om ervaringen uit te wisselen en om te overleggen over alle plaatsingsmogelijkheden van de medewerkers met wie die dag het plaatsingsgesprek was gehouden. Verder zijn in aparte sessies nog eens alle medewerkers in samenhang besproken en is nagegaan of de commissies over het totaal bezien consistent hadden geoordeeld. Na afloop van elke ronde heeft een onafhankelijke toetsingscommissie in algemene zin het plaatsingsproces en de individuele plaatsingsdossiers (steekproefsgewijs) gecontroleerd. De toetsingscommissie is tot het samenvattend oordeel gekomen dat het totale plaatsingsproces heeft plaatsgevonden volgens de afspraken in het sociaal plan en het plaatsingsprotocol.

3.4. De Raad neemt tot uitgangspunt dat niet kan worden gezegd dat het onder 3.3 beschreven plaatsingsproces op zichzelf bezien op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Dit sluit echter niet uit dat in een individueel geval geoordeeld moet worden dat onvoldoende zorgvuldig is gehandeld. En evenmin valt uit te sluiten dat in een individueel geval toch twijfel kan bestaan aan de juistheid van de uitkomst van het plaatsingsgesprek en het advies van de plaatsingscommissie. Daarbij is van belang dat het advies van de plaatsingscommissie over de al dan niet geschiktheid voor een functie inzichtelijk moet zijn en ook deugdelijk en toereikend gemotiveerd.

3.5. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van het plaatsingsgesprek verwikkeld was in een al enige tijd slepend conflict met gedeputeerde staten over de omzetting van zijn functie als seniorbeleidsmedewerker (schaal 13) naar de Fuwaprov-functie van projectleider A (schaal 11), dat ook heeft geleid tot uitval wegens ziekte. In oktober 2005 waren er wel weer benutbare mogelijkheden om te werken, maar is een mediation-traject gestart om de re-integratie een kans van slagen te geven en de duurzaamheid daarvan te vergroten. Zoals blijkt uit het scoreformulier was de plaatsingscommissie niet alleen van deze omstandigheden op de hoogte, maar was de plaatsingscommissie ook van mening

dat deze omstandigheden invloed hadden op de presentatie van appellant. In de, overigens pas geruime tijd later, door de voorzitter van de plaatsingscommissie opgestelde verklaring is zelfs aangegeven dat appellant door het langlopende conflict volledig is geblokkeerd. De Raad is van oordeel dat de plaatsingscommissie onzorgvuldig heeft gehandeld door desondanks het plaatsingsgesprek doorgang te laten vinden en op basis van dat gesprek tot een advies te komen.

3.6. Naast de onzorgvuldige gang van zaken zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.5 acht de Raad het niet aanvaardbaar dat aan de boventalligverklaring een advies ten grondslag ligt dat slechts is gebaseerd op één gesprek. Bovendien is dat advies onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd en dus niet naar behoren in rechte te toetsen, omdat het louter is gebaseerd op subjectieve oordelen. Dit klemt te meer nu de door appellant voor de reorganisatie uitgeoefende functie van projectleider A bijna identiek is aan de nieuwe functie van projectleider A. Overigens wijst de Raad er in dit verband op dat inmiddels vaststaat dat gedeputeerde staten destijds ten onrechte hebben besloten appellant de functie van projectleider A toe te delen. De rechtbank Haarlem heeft namelijk bij uitspraak van 6 juli 2006, 05/3567, het betreffende toedelingsbesluit vernietigd en daarbij overwogen dat er geen grond aanwezig is om aan appellant een andere (lager gewaar-deerde) functie toe te delen dan de functie die aan zijn collega’s is toebedeeld. Die uitspraak heeft intussen kracht van gewijsde gekregen. Het bestreden besluit dat op bedoeld advies is gebaseerd, strijdt dan ook met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.7. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat gedeputeerde staten appellant terecht en op goede gronden niet in de nieuwe organisatie hebben geplaatst. De aangevallen uitspraak moet dus worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) stelt de Raad vast dat, uitgaande van de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 10 februari 2006, de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voor deze procedure in drie instanties - welke termijn in beginsel vier jaar bedraagt voor de procedure in haar geheel - niet is overschreden. Voor het hanteren van een kortere termijn ziet de Raad in dit geval geen aanleiding. Het verzoek om schadevergoeding wijst de Raad dan ook af.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit van 15 mei 2007 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedeputeerde staten een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat gedeputeerde staten aan appellant het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 214,- vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD