Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08-894 BPW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een pensioen en bijzondere voorzieningen op grond van de Wet in verband met het verzet van zijn vader en dat van zijn zus. De Raad kan verweerster in haar standpunt volgen. Dat de vader van appellant niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet is al beslist bij (...) in rechte onaantastbaar geworden beslissing van 3 december 1953 en bij een beslissing van 30 juni 1981 van de Buitengewone Pensioenraad waarbij is geweigerd tot herziening van de beslissing van 3 december 1953 over te gaan. Ook in een geding van de zus van appellant (...) heeft de Raad bij uitspraak van 29 mei 2008 overwogen dat het standpunt dat vader niet wordt aanvaard als deelnemer aan het verzet niet onjuist is en de Raad kwam tot hetzelfde oordeel in de uitspraak van 29 mei 2008 in een geding van appellant in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (...). In dit geding is niet gebleken van gegevens die tot een ander oordeel moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/894 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 21 december 2007, kenmerk BZ 2006-08, JZ/A60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1942, heeft in juli 2005 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een pensioen en bijzondere voorzieningen op grond van de Wet in verband met het verzet van zijn vader, [naam vader appellant], en dat van zijn zus [naam zus appellant]. Hierop is bij besluit van 27 april 2006 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hierbij is overwogen, kort weergegeven, dat de vader van appellant niet kan worden beschouwd als deelnemer aan het verzet en dat het verzet van zijn zuster zich heeft afgespeeld buiten zijn leefwereld.

2. Namens appellant is in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat de vader van appellant gerekend kan worden tot de deelnemers aan het verzet, nu de zus van appellant wel is aanvaard als verzetsdeelnemer op grond van het in samenwerking met haar vader vervoeren van wapens ten behoeve van het verzet. Ook het illegaal voorhanden hebben van wapens duidt naar zijn oordeel in oorlogstijd op verzetsdeelname, gezien ook de gevolgen voor de vader van appellant (arrestatie in november 1941 en overlijden in december 1942 in Oraniƫnburg in Duitsland). Appellant is voorts van mening dat het verzet van zijn zuster zich wel in zijn leefwereld heeft afgespeeld, nu ook rekening moet worden gehouden met de oorlogsstress, ontstaan door de beleving van hetgeen familieleden bij deelneming aan het verzet is overkomen.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De aanvraag van appellant is gebaseerd op het zijn van psychisch slachtoffer van het verzet van zijn vader en van zijn zus. Bij het bestreden besluit is het standpunt gehandhaafd dat er geen aanleiding is om appellant met toepassing van artikel 3 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1978 (Stb. 422) gelijk te stellen met de categorie van personen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 3 van datzelfde besluit, te weten zij die in verband met het verzet van derden lichamelijk letsel hebben opgelopen. Aan artikel 3 van dit besluit wordt toepassing gegeven als sprake is geweest van een ernstige verstoring van levensomstandigheden gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 ten gevolge van het verzet van derden. Het verzet van de vader van appellant is beoordeeld in het kader van de aanvraag van zijn moeder, mevrouw [naam moeder appellant], om toekenning van een buitengewoon weduwenpensioen. In de naar aanleiding daarvan afgegeven afwijzende beslissing van 3 december 1953 is beslist dat de vader van appellant niet gerekend kan worden tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Nu er geen nieuwe feiten of omstandigheden hieromtrent bekend zijn geworden, is volgens verweerster geen sprake van verzet van de vader van appellant, zodat niet wordt voldaan aan het basisvereiste voor een aanspraak op grond van verzet van derden in de zin van de Wet. Ten aanzien van de zus van appellant, mevr. [naam zus appellant], is bij beslissing van 18 juni 1974 door de toenmalige Buitengewone Pensioenraad, de rechtsvoorganger van de Raadskamer Wetten buitengewoon pensioen vastgesteld dat zij heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Hierbij is aanvaard dat zij in 1941, in samenwerking met haar vader, enige malen wapens heeft vervoerd ten behoeve van het verzet. Nu dit zich heeft afgespeeld voor de geboorte van appellant kan naar de mening van verweerster geen sprake zijn van ernstige verstoring van de levensomstandigheden van appellant ten gevolge van het verzet van zijn zus.

4.2. De Raad kan verweerster in het onder 4.1 weergegeven standpunt volgen. Dat de vader van appellant niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet is al beslist bij genoemde, in rechte onaantastbaar geworden beslissing van 3 december 1953 en bij een beslissing van 30 juni 1981 van de Buitengewone Pensioenraad waarbij is geweigerd tot herziening van de beslissing van 3 december 1953 over te gaan. Ook in een geding van de zus van appellant, nr. 06/3710, heeft de Raad bij uitspraak van 29 mei 2008 overwogen dat het standpunt dat vader niet wordt aanvaard als deelnemer aan het verzet niet onjuist is en de Raad kwam tot hetzelfde oordeel in de uitspraak van 29 mei 2008 in een geding van appellant in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, nr. 07/3020 WUV. In dit geding is niet gebleken van gegevens die tot een ander oordeel moeten leiden.

4.3. Er is ook naar het oordeel van de Raad geen sprake geweest van verstoring van de levensomstandigheden van appellant door het verzet van zijn zus, nu dat heeft plaatsgevonden voor zijn geboorte. Naar aanleiding van de grief van appellant dat verweerster ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de oorlogsstress, ontstaan door de beleving van hetgeen aan zijn zus bij deelneming aan het verzet is overkomen, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht aangevoerd dat dit een aspect is waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de mate van invaliditeit van een deelnemer aan het verzet.

4.4. Gezien het vorenstaande treft het beroep van appellant geen doel en houdt het bestreden besluit in rechte stand.

5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P. Boer.

HD